Posts tonen met het label ijsland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ijsland. Alle posts tonen

maandag 5 juli 2010

05/07/10 - vertrek uit Ijsland

De laatste dag hadden we nog enkele uren. We besloten deze op te vullen met ons te verwennen in de Blue Lagoon. We hadden al kennis gemaakt met deze baden aan de andere kant van Ijsland, en vonden die eigenlijk leuker, want relaxter en minder druk. Maar zonder gezichtspapjes! En voor een instant verjongingskuur moet een mens ook wat overhebben.
Proper gewassen en helemaal uitgerust brachten we dan later de auto terug, zonder enig probleem (dat gepiep zal wel al van in het begin geweest zijn) en konden onze vlucht zonder problemen nemen.

De heenvlucht hadden we elk een schermpje gehad voor een film te bekijken. We hadden onszelf dan ook getrakteerd op een flinke lading M&M's om op de terugvlucht ook een filmpje te kunnen kijken. Maar helaas had de maatschappij er anders over beslist. Deze keer geen schermpjes en dus werd het muziek luisteren, boekje lezen en M&M's eten. Wat ook leuk is. En zo zat onze reis naar dit curieuze maar heel mooie eiland er ook op voor ons.

zondag 4 juli 2010

04/07/10 - Reykjanes

Na de regenachtige nacht, kwamen we terecht in een al even regenachtige ochtend. Het regende nog steeds, en het zag er niet naar uit dat het snel zou veranderen. We gooiden de tent zonder veel op te vouwen in de koffer, zodat deze daar een beetje kon drogen, en zetten dan op weg naar het zuiden, richting Reykjavik. De hoofdstad hadden we nog niet met een bezoekje vereerd, dus zouden we dat op deze druilerige zondag gaan doen. Op de planning stonden eerst nog een aantal bergkam-wandelingen, maar die lieten we maar wijselijk links liggen. Rond de middag kwamen we aan in de hoofdstad. Uiteraard was alles dicht op zondag, alhoewel we zagen dat in de namiddag toch het een en ander zou open gaan. We aten iets ergens en slenterden wat door de straatjes van de stad. Veel stad is er niet aan Reykjavik, maar het is dan ook wel weer veel leuker dan te drukke overvolle steden. In de namiddag gingen dan inderdaad wel heel wat winkeltjes open, en we lieten onszelf gaan en hingen zonder scrupules voluit de toerist uit en liepen van toeristenwinkel naar toeristenwinkel. We werden overrompeld met T-shirts van de uitbarsting en pluchen papegaaiduikers, maar konden gelukkig aan de koopdrang weerstaan. Onze valiezen zaten toch al vol en we hadden onze souvenirs al gekocht, dus echt moeilijk was dat nu ook weer niet.

We vonden de grote en mooie kerk, waar we op het lumineuze idee kwamen de toren te beklimmen. Met de lift naar boven en vandaar konden we de volledige stad overschouwen. Helaas voor ons dus was het uitzicht op de omgeving helemaal niet indrukwekkend, aangezien alles in het grijs zat, maar het zicht op de stad was ook best aangenaam.

Na enkele uurtjes hadden we het wel gezien en snakten we terug naar die mooie natuur van Ijsland. We vertrokken naar het schiereiland Reykjanes, ten zuiden van Reykjavik.

We kwamen langsheen het Kleifarvatn-meer, met speciale grillige klei-formaties. We bereikten de kust, waar we helaas niet naar de afgronden van de kust konden bereiken, want dat ging enkel met een 4x4. We volgden dan de kust tot we aan het meest zuidwestelijkste punt stonden. Daar stond een vuurtoren en was nog een heel groot geothermisch aktief gebied. Er stond een geothermische centrale, die het zicht een beetje verprutste, maar er was nog veel spektaculairs te zien. Zo was er een oud pad dat blijkbaar opgeblazen was door een nieuwe opening in de grond waaruit gillend stoom en gas ontsnapte. Het geluid was vreselijk om te horen, en de energie van de ondergrond was angstaanjagend. De oude brug lag in splinters uiteen, en modder kookte en pruttelde hevig. Een klein bordje waarschuwde ons voorzichtig te zijn. Een nogal overbodige waarschuwing, maar de toeristen die we hadden gezien, hadden ons wel al geleerd dat niet elke mens dus een eerlijke portie gezond verstand had meegekregen.

We reden dan nog wat verder langs de kust, maar het weer was terug veel slechter geworden, dus zetten we maar koers naar het Motel Alex, waar we ook de eerste nacht doorgebracht hadden. Daar konden we in onze cabine rustig dan de valiezen maken en de tent laten drogen. We kookten onze laatste voorraden op en hadden een heel gezellige laatste avond in Ijsland.

Rit : Reykholt naar Keflavik

zaterdag 3 juli 2010

03/07/10 - Snaefellsnes schiereiland

Opgestaan en al meteen gezien dat de wolken dreigend boven onze camping hingen. Dus maar snel onze biezen gepakt. We hadden goeie hoop want in de verte, aan den einder, zagen we toch een streepje blauwe lucht. We volgden de kust langsheen het smalle schiereiland.

In Hellisandur stopten we even aan het visserijmuseum. Dat was op dat uur nog gesloten, maar even langsheen de gerestaureerde authentieke huisjes wandelen was ook al de moeite waard. In de verte zagen we reeds de curieuze 412 meter hoge zendmast staan. Daar passeerden we langs en namen even verder de afslag naar een klein zandstrandje. Daar had tientallen jaren een jochie een heus vikinggraf ontdekt. Veel was er uiteraard niet meer aan te zien, maar het was wel nog een mooi strand. Jammer dat het geen zomers strandweer was. We hadden dan de uiterste rand van het schiereiland bereikt en begonnen dus terug te keren aan de zuidelijke kant van de landtong. Eerst kwamen we langsheen een grot, waar je op zo'n drie tot vier diep het ijs nog zag liggen. Het was een lange vulkanische grot die nog vol ijs lag. Je kon deze bezoeken, maar jammer genoeg enkel in de namiddag.
We kwamen verder aan de krater van een vulkaan die HolaHolar genoemd werd. Kraters vind je nu wel meer op Ijsland, maar deze was speciaal omdat je er je auto in kon parkeren. Da's wel speciaal zo in een relatief kleine krater staan, met al die hoge randen om je heen, en beseffen dat je eigenlijk in een vulkaanmond staat.

Langsheen de kust zagen we dan tegen de horizon twee grote pieken uitsteken. Volgens onze reisgids moesten die dingen uit de zee steken, maar toen wij dichterbij kwamen, zagen we dat ze eigenlijk nog verbonden waren met het land. Het waren de restanten van een vulkaan (of wat had je gedacht) waarvan al de rest afgebrokkeld was. Wat restte waren dus twee tot 50 meter hoge pieken die een dankbare rust- en nestplaats bood voor vele zeevogels.

En dan kwamen we aan een van de kleinste maar misschien wel bezigste plekjes die we in Ijsland tegengekomen waren. We stopten in Hellnar, waar het kleine kerkje prachtig afstak tegen de grote Snaefellsness-gletsjer op de achtergrond. Helaas kwamen wolken alweer roet in het eten (of in dit geval mijn foto) gooien. We vertrokken vanuit Hellnar langsheen de kust naar Arnarstapi, waar we zeer mooie en grillige natuurvormen zagen zoals Gattklettur, een natuurlijke brug in de zee. Er waren ook gaten geslagen door de zee in de brossen onderlaag, waardoor men nu natuurlijke gaten kreeg in de grond, verbonden met de zee en dus perfect schuilplaatsen voor meeuwen en andere vogels. We gingen langs dezelfde weg terug en vonden in Hellnar een klein hutje waar ze cake verkochten. We vonden dat we dat na die lange wandeling wel verdiend hadden en lieten het ons dubbel en dik smaken.

Het was dan al een stukje in de namiddag, dus reden we maar door. We passeerden de prachtige krater van Eldborg en stopten even in Borgarness om nog wat inkopen te doen. Daar hadden we het Snaefellsness peninsula verlaten en reden we terug wat het binnenland in. We reden richting Hraunfoss, maar we reden ook jammer genoeg recht een vreselijke regenzone in. In Husafell de tent rechtzetten was geen optie, dus reden we een tiental kilometers terug naar Reykholt, waar we een kleine camping vonden en daar snel onze tent op poten zetten. Koken moest vlug gebeuren. Een probleem met Ijslandse supermarkten is dat heel veel van wat je er kan kopen totaal onleesbaar is. Dus ga je op de prentjes af. En dat was ons nu een beetje tegengevallen. We hadden iets of wat van cordon blue gekocht, maar het bleken eigenlijk vegetarische burgers te zijn. Wat vreselijk slecht smaakt. Gelukkig hadden we nog puree en groentjes om die handel naar binnen te spelen. Aangezien het ondertussen ook bij ons was beginnen regenen, zaten we nog even in de auto, en kropen we daarna in onze tent, voor nog een nacht bedenkelijk kijken of de tent het zou houden.

Rit: Grundarfjördur naar Reykholt

vrijdag 2 juli 2010

02/07/10 - Honderden vogels

De voorbije nacht was een helse nacht. De tent werd soms bijna helemaal plat tegen de grond geblazen en de regen roffelde aan het snelste tempo ooit op de zeilen. Gelukkig was tegen de ochtend alles weggeblazen. Of toch het onweer, de tent en onze auto stonden er gelukkig nog. Met een opgelucht gevoel, maar amper uitgeslapen hadden we ontbijt onder een rustige hemel. We braken de tent op en gingen naar onze grote stop voor vandaag, Latrabjarg.

Niet zover van de camping lag een eerste toeristische stop. Een scheepswrak, het eerste metalen schip in Ijsland, was daar aan land gesleept, en dan maar meteen tot nationaal monument gebombardeerd. Een geniale zet, om 'roestend schip' als omschrijving van het monument te kiezen; maakt meteen enige investering is conservatie overbodig. Daar aan het wrak eindigde voor ons de gewone asfaltweg, en begonnen we aan een heel erg lang stuk gravelroad. Gelukkig was de weg breed en behoorlijk vlak. Maar we waren nog geen drie kilometer op de weg, toen een vreselijk schurend geluid, als van metaal op metaal, ons dwong te stoppen. Alles nakijken en controleren wat er te controleren was, leverde niets op. Het geluid bleef. Heel voorzichtig en heel traag besloten we door te rijden tot de eerste boerderij, om te zien of daar iemand ons kon helpen. Helaas (of uiteraard) was de boerderij verlaten, dus zetten we maar door naar de volgende, een eindje verderop. Op weg daarheen echter, hoorden we plots het geluid veranderen, en meteen daarop was het helemaal weg. We dachten even dat we het niet meer konden horen, maar het was echt weg! Waarschijnlijk een steentje dat ergens tussengekropen was en er vanzelf terug vantussenuit gevallen was. Wat het ook geweest waren, onze hartslag kon eindelijk weer uit de hoogste regionen terugvallen naar een normaler en gezonder tempo, en we konden weer voluit naar onze vogelrots gaan doorrijden.

Een tijdje later kwamen we dan aan bij Latrabjarg. Aan Latrabjarg is eigenlijk niets. Er staat een vuurtoren en dat is het zo wat. Maar de vuurtoren staat wel op een heel hoge klip, die pal loodrecht de zee induikt. Dat op zich is al heel spektaculair, maar de klip is bovendien heel poreus en dus bijzonder geliefd als nestplaats voor duizenden zeevogels. Van alle kanten zagen we ze vliegen. Meeuwen vanzelfsprekend, maar ook vele andere soorten, waar we de naam totaal niet van konden raden. En dan ook uiteraard, de typische vogel van Ijsland, waar we - zo moeten we toch stilletjes toegeven - in de eerste plaats voor gekomen waren, de papegaaiduikers. Niet met honderden tegelijk, maar toch genoeg en dichtbij genoeg om de vreemde vogels eens goed te bestuderen.

We begonnen onze wandeling langsheen de vogelrotsen en keken goed onze ogen uit. Om puffins te kunnen zien, maar ook om te zorgen dat we geen 200 meter naar beneden zouden donderen, want het pad was heel oneffen en de rand van de afgrond was brokkelig op sommige plekken. We zagen al gauw de eerste puffins van heel dichtbij, en zij bleken wel geïnteresseerd te zijn, want de beestjes namen ons nieuwsgierig op en vlogen meestal niet meteen weg. Zo kwamen we - toen we al een hele tijd gewandeld hadden - plots twee fotografen tegen die wel heel stil naar iets lagen te turen. Toen we heel voorzichtig dichterbij kwamen, zagen we vlak op de rand, twee papegaaiduikers zitten. Ze waren volledig op hun gemak, hielden ons wel in het oog, maar wisten duidelijk niet zo goed wat ze nu moesten gaan doen. Ze leken er wel goed te zitten, en leken niet gestoord door onze aanwezigheid. We legden onszelf ook naast de fotografen, en genoten van het zicht op deze vrolijk gekleurde vogels. Na een tijdje trokken we een kort eindje verder langsheen de klippen, maar dan keerden we op onze stappen terug, en keerden langsheen hetzelfde pad terug. We zagen nog een heleboel papegaaiduikers en ook talloze andere vogels, waarvan we de naam niet kenden. We kwamen dan uiteindelijk aan bij de auto en zetten koers naar het volgende stuk.

Daarvoor moesten we weer over die hobbelige baan, maar gelukkig geraakte deze keer geen stukken tussen de wielen, waardoor we gespaard bleven van angstaanvallen of andere traumatische gebeurtenissen. Onze volgende stop was Brjaenslaekur, een onooglijk dorp, of meer boerderij met kerk, waar de ferry naar het schiereiland Snaefellsness aanmeert. Als je het dorp moet voorstelling grootte, dan kon je zeggen dat het dorp ongeveer honderd keer in de ferry paste. We hadden een beetje vrees voor de weg erheen en waren dus goed op tijd vertrokken, maar waren nu ongeveer een tweetal uurtjes te vroeg. Het weer was alweer wat overtrokken, maar we gingen toch nog even een uurtje wandelen in de omgeving. Onze wandelgids gaf een ruwe wandelroute aan naar oude lavabrokken met oeroude fossielen. Jammer genoeg vonden de reguliere koeien in de wei het leuk om dwaalsporen te leggen naar de versteende lava, want geregeld moesten we eens recht in de richting van de vallei wandelen, om daar toe te komen en de fossielen te proberen ontdekken in de lavabrokken. Het was in de kleine vallei heel rustig en stil. Korte tijd later keerden we dan langs wat wij dachten dezelfde weg terug, maar ineens moesten we opnieuw dwars door de lage struikjes om bij de auto te geraken. Niet zo heel lang later zagen we de ferry dan over de zee aankomen en konden we eindelijk onze tickets ophalen in het cafe annex postkantoor annex ticketoffice annex sociale ruimte annex winkel van het dorp.

Mooi geparkeerd op de boot en dan begon het wachten tot we de overkant bereikten. We vertrokken mooi op tijd en genoten van het uitzicht en de dalende zon. Ondergaan zou ze niet gaan doen, maar ergens in de lagere regionen boven de horizon begonnen we tegen dan al een zonsondergang te noemen. We vaarden tussen een heleboel kleine platte eilandjes die vol vogels zaten. Even later legden we aan bij Flatey, een van de enige eilandjes die bewoond zijn en zelfs een waar historisch patrimonium bevat. Helaas hadden we te weinig tijd dit te bezoeken, want de boot legde maar een goeie tien minuten aan. Daarna vaarden we door naar de andere kant. We hadden op de ferry ook eindelijk besloten pluchen papegaaiduikers te kopen. De eerste dag hadden we deze al gezien ergens in een tankstation, maar vonden het toen was vroeg om al te kopen. Maar daarna hadden we deze mooie knuffels niet meer gevonden, dus nu, ergens naar het einde van onze reis, besloten we ze maar meteen in te kopen.
We kwamen aan op het schiereiland en hadden dus officieel de westelijke fjorden verlaten. Vanuit Stykkisholmur moesten we nog een klein uurtje rijden naar onze camping in Grundarfjördur. Daar aangekomen, bleken we weer een betonnen camping gekozen te hebben. De ondergrond had een dun laagje gras en daaronder een laag keihard materiaal waar het bijna onmogelijk door te raken was. Op pure adrenaline en frustratie geraakten de haringen toch in de grond en konden we in onze tent kruipen. Het was dan al ver middernacht. Nog geen half uur later werden we dan nog gestoord door de uitbaatster die ons kwam aanrekenen. We zaten dan al op de snelbus naar dromenland, dus beseften we eerst niet eens wat er gebeurde. Versuft toonden we de kaart en konden dan gelukkig onze ogen sluiten. Nog later begon het weer te regenen...

Rit: Talknafjördur naar Grundarfjördur

donderdag 1 juli 2010

01/07/10 - Een rustig dagje met niet zo rustig weer

We werden de volgende dag niet wakker met een zon, maar met een hele zware bewolkte hemel. Zoals voorspeld dus... We zagen de bui letterlijk al hangen en braken dus snel onze tent op en vertrokken in zuidelijke richting. Vanuit Isafjördur loopt een 8 km lange tunnel naar het zuiden omdat de stad anders 4 maand op een jaar volledig afgesloten is voor de buitenwereld. Omdat er toch nooit niet veel verkeer is, is het slechts een éénvaksbaan-tunnel, met op geregelde plaatsen een uitwijkbaai voor tegenliggers te laten passeren.
Al snel kregen we de beloofde regen en wind op ons dak te verduren. Er is iets heel bijzonders aan die wind op die plek. Als mens, je mag nog in een auto zitten, voel je je bij elke windstoot kleiner en kleiner worden. De fjorden alleen al maken je vrijwel onzichtbaar in verhouding, en het dreigende weer versterkte dat effect nog tientallen keren. De ommezijde van de medaille echter, is dat deze voorstelling van de natuur in al haar woede, op een manier prachtig is om te zien. We reden passen die voor de modale Ijslander een gewone (snel)weg is, maar voor de toerist die zo'n immense natuurspektakels niet gewoon is, heel sterk op het gemoed werken. Afgezien van het feit dat met het slechte weer, de wegen er soms bedenkelijk bijlagen - aangezien ze smal waren, van gravel waren, nat en winderig waren en bovendien hellingspercentages van wel 18 procent hadden - konden we echt genieten van de toestanden om ons heen.

We kwamen langsheen Flateyri, dat in het verleden zwaar beschadigd geraakt was door een grondverschuiving van het fjord waaraan het lag. Als reactie daarop hadden de dorpsbewoners een stevige dijk gebouwd tegen de berghelling, om toekomstige verschuivingen en de daaraan verbonden verwoestingen een stapje voor te zijn en de schade te kunnen beperken.

Nog een stuk zuidelijker kwamen we langsheen één van de prachtigste watervallen in Ijsland, naar mijn persoonlijke mening. De Dynjandi waterval kan je al van heel ver herkennen, als je er van het noorden naartoe rijdt. Als een brede driehoek zie je de grote waterval op de grond staan, met de punt bovenaan. Hoe dichter we kwamen, hoe groter en grilliger de driehoek werd, tot we er vlakbij waren, en de waterval in volle glorie konden aanschouwen. Het is echt een meesterlijke waterval, heel majestueus. Als de heer en meester van de omgeving spreidt hij zijn mantel uit. De aanwezigheid van de waterval is op die plek bijna wezenlijk, je voelt gewoon de invloed die Dynjandi heeft daar. Zoals een vuurtoren een duidelijk herkenningspunt is voor de schepen in de storm, zo leek ook de waterval een heel veilig en beschermend gevoel te geven. Je voelde je maar een druppel groot naast de sluier die als sneeuw naar beneden dwarrelde, en het geklater kon je doof maken. De kou zou je binnen de kortste keren uittellen, en de kracht zou het leven niet sparen, maar toch gaf de waterval een groot vertrouwen. Er gaat bijna een mystieke kracht van uit, zou je kunnen zeggen.

Na een hele tijd stil en vol ontzag naast de indrukwekkende waterval gewandeld en gestaan te hebben, reden we dan door naar onze camping. Het begon opnieuw te regenen, en waaien, heel hard waaien. We plaatsen onszelf een beetje uit de wind, maar spanden de stormlijnen toch maar extra hard op. Gelukkig hadden we ook hier weer een zaaltje met keuken om in te koken, want buiten zou dit niet echt mogelijk geweest zijn. Aangezien het totaal geen weer meer was om buiten te komen of zelfs maar in de tent te gaan liggen, bleven we in het zaaltje maar Uno spelen. Waarbij ik alweer standaard verloor...

Rit : Tungudalur naar Talknafjördur

woensdag 30 juni 2010

30/06/10 - de Westelijke fjorden

Na wat niet anders had kunnen zijn dan een fantastische nacht, werden we wakker onder een bewolkte maar droge hemel. Alles terug in de auto gooien, en dan echt de westelijke fjorden eens gaan bekijken. We volgden dezelfde weg als de dag ervoor, maar deze was blijkbaar opnieuw veranderd van Weg 68 naar Weg 61. Maar nog steeds lag deze niet zoals de kaart aangaf. Erg was dat niet, want de weg lag er echt piekfijn bij.
Het weer werd zowaar een beetje beter, en als de zon erdoor kwam piepen, veranderde de omgeving in een ware symfonie van kleuren. We kwamen door de verschillende fjorden, heel veel papegaaiduikers tegen. Geregeld stopten we even om de grappige beestjes te bekijken, terwijl deze aan het jagen waren in de diepe maar heldere wateren van de fjorden. Bij één van die stops werden we zelfs begroet door een zeehond! Het beest vond ons blijkbaar een even grote verrassing, maar wel zeer interessant, want nieuwsgierig kwam hij geregeld eens een kijkje nemen.

De rit voor de dag was niet zo heel ver, naar Isafjördur, helemaal in het noorden. We kwamen er aan in de camping van Tungudalur, een prachtige camping die heel beschermd ligt en waar een waterval naast ligt, waarvan de stroom doorheen de camping heen loopt. Ondertussen was merkwaardig genoeg de zon helemaal op volle kracht gaan schijnen en werd het zowaar warm. Dat beloofde voor de volgende dag, want dan hadden we gepland naar Hornstrandir over te steken. Dit is een enorm woest en groot natuurpark, waar je enkel per boot nog enigszins gemakkelijk geraakt. We gingen de stad in om deze toer te boeken, en kregen de schrik van ons leven toen we op de toerkalender 30 juni zagen staan. Gelukkig leven de Ijslanders in een heel speciale tijdzone, want 30 juni bleek donderdag te zijn ginds. Donderdag was de enige dag dat de toer naar Hornstrandir ging. Een beetje bekomen vroegen we dan of we ons konden inschrijven voor de toer van donderdag 1 juli. Helaas kregen we toen het deksel op de neus. Alle toers voor de volgende dag waren afgelast wegens de voorspelde storm. Aangezien vastzitten in een storm op een schiereiland dat tot in augustus onder de sneeuw kan liggen en door niets anders bereikbaar is dan een klein bootje via de open zee, had de operator toch maar wijselijk besloten de toer te annuleren. Pech voor ons dus.
We besloten onze frustratie eruit te sporten, en begonnen vol enthousiasme aan de klim naar boven op de waterval. Natuurlijk was dit weer zo'n verraderlijke wandeling, want de top van de waterval bleef maar boven ons liggen. Zwaar hijgend en liters zwetend kwamen we tenslotte aan bij zowaar een skihut. Uiteraard was deze voor de zomer buiten dienst, en we keerden dan aan de andere kant van de waterval terug naar beneden. We reden ook nog even naar Bolungarvik, een dorpje wat verder langs de kust.

Terug op de camping pasten we onze planning voor de volgende dagen dan maar lichtjes aan. De rest van de zonnige middag amuseerden we ons met spelletjes spelen (enfin, Klaar amuseerde zich, want zij won steeds met Uno) 's Avonds als de schemer inviel werd het dan wel een beetje koud en klommen we maar in de tent. De dag nadien moesten we dan toch niet hopeloos vroeg opstaan voor naar het natuurpark te gaan, als er dan toch iets positiefs daar over te vertellen was.

Rit: Holmavik naar Tungudalur

dinsdag 29 juni 2010

29/06/10 - Into the West Fjords

Goed uitgerust uit de tent gejaagd door de tropische temperatuur die opliep in onze tent zo vroeg 's morgens al. We hadden alweer een lange rit voor de boeg, recht de westelijke fjorden in. Daar hadden we beiden grote verwachtingen van, van dit door toeristen weinig bezochte gedeelte van Ijsland. We vertrokken dus met een stralende zon. Een eerste stop langs de snelweg was een achthoekig kerkje, stokoud en tegen een hele mooie achtergrond. Verderop lag Glaumbaer even van de Ringweg. Dit is net als Laufas een mooie gerestaureerde boerderij, en eveneens in een prachtige omgeving.

We zetten dan op weg naar een mysterieus spektakel. We moesten daarvoor de goede weg verlaten en een weg volgen die maar weinig meer was dan een slecht onderhouden karrespoor. Met veel boebels, stenen en deuken (gelukkig niet in de auto) bereikten we Borgarviki. Dit is een grote steenheuvel met bovenin een soort inzinking. Onderzoekers zijn er nog niet uit of dit nu een fort dan wel een schapenhut was geweest. Feit was dat je van de top een prachtig zicht op de omgeving had. Enfin, bij goed weer toch, want ons zicht was er eentje op regenwolken en de grijze omgeving. Het leek erop alsof de westelijke fjorden op dezelfde manier zouden gaan verlopen als de oostelijke.
De volgende stop was Osar, of liever, het strand van Osar. Daar lagen een hele kudde (of meute?) zeehonden te spelen en te slapen. Sommige van hen deden leuke sprongen in het water, maar de meeste namen genoegen met luieren op het strand. Aangezien de overkant nogal ver was om goed te zien, er ondertussen een ijzig koude wind stond en we opnieuw werden aangevallen door Noorse Sternen, kropen we maar snel terug achter het stuur van onze wagen. Verderop langs de kust staat een vreemdsoortig natuurfenomeen in de zee, Hvitserkur. Volgens de legende een draak, of versteende trollen, of rechtstanten van een schip. Volgens rationalisten een gewone rots met een eigenaardige vorm, die vaak als toilet gebruikt werd door de meeuwen. Het hele schiereiland is gekend voor en promoot zich met de zeehonden, en wat verder, in Svalbard, lagen ook al zeehonden voor de kust. Helaas ook weer hier net te ver om goed te kunnen zien. Enkel een foto op volledige zoom kon de contouren iets meer detail geven.

Terug langs de Ringweg kwam even verder de aansluiting van het westelijke uitstekende stuk Ijsland bij de grote brok, en daar zaten we even bijna verkeerd. De kaart die wij hadden, stuurde ons Weg 61 op, maar die zagen we helaas niet liggen. Opeens bleken we opnieuw richting Reykjavik te rijden, recht een pas op! Dat was duidelijk niet onze bedoeling en dus maakten we maar snel rechtsomkeer. Na wat draaien en keren besloten we toch maar Weg 68 te nemen, dat kwam het dichtst in de buurt van Weg 61. Enkele honderden meter verder stond langs Weg 68 een enorm bord dat onze vriendelijk informeerde in zowaar Engels en Ijslands dat Weg 61 nu Weg 68 genoemd werd. Vriendelijke mensen toch die Ijslanders. Maar toch niet zo goed opgelet tijdens de les Toerisme...

Maar het moet gezegd, de nieuwe Weg 68 lag er prachtig bij. Blijkbaar volgde deze niet helemaal het traject van Weg 61, maar erop rijden was al een plezier. Helaas hadden we de weergoden blijkbaar niet goed afgesmeekt, want de hemelsluizen openden zich weer en het rijden doorheen de fjorden werd een exacte kopij van de oostelijke. Met dat verschil dat het relief nog scherper en indrukwekkender en gewoon nog zotter was dan de oostelijke wederhelft. We kwamen na de lange rit aan in de gietende regen in Holmavik, ons einddoel voor deze dag. De camping was een heel mager beestje, bovendien stond deze niet op onze lijst van de campingkaart. We zagen dit totaal niet zitten en zochten onszelf dan maar een gastenkamer in het dorp. Dit vonden we even verderop, dankzij de bijzonder behulpzame juffrouw van het informatiebureau. We waren zo goed al alleen in het gastenhuis (we konden echt niet raden waarom dat kan zijn) en kregen zodoende een hele verdieping voor ons alleen, met living, slaapkamer, badkamer en keuken! Hier gingen we echt voor honderd procent van genieten! We installeerden ons, namen een heerlijk warme douche, schoten onszelf in gemakkelijke kleren en aten dan de balletjes in blik die helaas niet naar balletjes smaakten, maar meer naar blik. Het WK was volop bezig, en op de enige zender op de tv die we ook al hadden, zagen we Spanje tegen Portugal winnen. Na nog wat foto's gekeken te hebben, kropen we maar gezellig tussen de slaapzakken, die we enkel als deken gebruikten deze nacht.

Rit: Hrafnagil naar Holmavik

maandag 28 juni 2010

28/06/10 - Muggen en taalproblemen

Onze tweede nacht in Reykjahlid was even rustig als de vorige. We stonden ook opnieuw op met een mooie blauwe hemel. We braken onze boel op en gingen een kijkje nemen bij de pseudo-kraters. Temidden van de hopen toeristen, werden we ook geconfronteerd met de intrinsieke betekenis van Myvatn, muggenmeer. Hele horden muggen vielen ons (en ook de andere toeristen) aan en kropen in oren, neus, mond, alles wat maar vochtig was. We beklommen snel enkele van de kraters, maar hielden het snel voor bekeken, want de letterlijk miljoenen muggen maakten ons totaal horendol. Gelukkig staken of beten ze niet. In onze reisgids stond ook om de Vindbelgjarfjall te beklimmen. We begonnen de beklimming maar werden al gauw opnieuw aangevallen door muggen, terwijl we druipten van het zweet, want het was heel warm. Meer dan een halfuur deden we erover om boven te raken, en daar brak de hel helemaal los. Minstens evenveel muggen als er mensen op aarde rondlopen vielen ons aan als een donkere massa. Het was onmogelijk ook maar een seconde stil te staan om een foto te nemen, dus na een halve minuut maakten we ons daar alweer uit de voeten.

De volgende stop was al veel beter. We stopten aan de prachtige waterval de Godafoss. Met het invallende zonlicht kleurde deze waterval in de mooiste regenbogen. Ijsland is nog eens extra mooi als de zon alles kleurt, en onze volgende stop in Laufas bevestigde dat alleen maar. In Laufas stond een gerestaureerde boerderij. De prachtige kleine huisjes met felle kleuren steken mooi af tegen de omgeving en storen tegelijkertijd totaal niet.

Verder op weg naar het westen kwamen we in de grote stad Akureyri. Dat was onze eerste ontmoeting met echte drukte. Ijslanders zijn duidelijk niet gewoon op kleine ruimtes samen te leven, en dat getuigt zich in dwaas gedrag achter het stuur van hun immense 4x4's, alhoewel één op twee waarschijnlijk wel een toerist was. In Akureyri bezochten we even de speciale maar heel mooie kerk en de botanische tuin. Daarna deden we gauw inkopen in een al even chaotische als drukke supermarkt. We gingen opnieuw voor enkele dagen voorraad inslaan. Een leuk idee leek ons instant-klaar sauzen te kopen. Maar dat idee hebben we moeten laten varen, na minstens een uur te proberen de recepten te ontcijferen uit het Deens, Noors, Fins of Ijslands. We maakten dan maar een compromis en namen balletjes in saus mee in blik. Toegeven op de smaak, maar wel iets dat in proportie klaargemaakt was. We vonden gelukkig andere zaken, desnoods als plan B voor de balletjes.

Ten zuiden van de stad lag onze camping ergens. In eerste instantie waren we er met al ons enthousiasme voorbij gereden, maar dat was onze fout niet. Onze campingkaart vermelde een naam, maar het dorp waar de camping zou moeten zijn, had een andere naam. We kwamen dan uiteindelijk uit in Grund, waar één van de mooiste kerken staat die ik al gezien heb. Een klein kerkje, maar tegen een achtergrond waar postkaarten van gemaakt worden. Na de postkaart-foto keerden we dan terug naar de camping en probeerden onze tent recht te zetten. Helaas had iemand het lumineuze idee gehad beton onder de grasmat te gieten, waardoor we onze pinnen niet echt in de grond kregen. Een vriendelijke buur leende ons een groter formaat hamer - type voorhamer - en daarmee lukte het uiteindelijk wel.

Om de dag af te sluiten gingen we dan nog een halfuurtje in de hotpot van het zwembad vlak naast de camping zitten, om goed opgewarmd in onze tent te kruipen.

Rit : Reykjahlid naar Hrafnagil.

zondag 27 juni 2010

27/06/10 - Walvis! Dolfijn! Puffin!

Deze morgen vroeg opgestaan, met een staalblauwe lucht met geen enkel wolkje te bespeuren. Ideaal voor onze excursie van vandaag. We reden naar Husavik, waar we inscheepten op de Sylvia, van Gentle Giants. Deze boot zou ons in de baai tot zo dicht mogelijk bij de walvissen brengen. We vertrokken stipt op tijd en voeren een hele tijd rond zonder de minste rimpeling te zien. Iedereen aan boord tuurde zich de ogen uit het hoofd om maar iets te kunnen zien van beweging. De boot stuurde aan op een grote groep zeevogels. De ervaren kapitein en de begeleider hadden het vermoeden dat deze de restjes van het feestmaal van de walvis aan het oppeuzelen waren. De spanning steeg ten top aan boord en iedereen drumde wat naar voor om maar iets te kunnen zien, maar de vogels vlogen als één weg, zonder dat er een walvis naar boven kwam. Een zucht van ontgoocheling trok door de boot, maar al snel waren de camera's al aan het klikken, want tussen de zeevogels zaten ook een hele hoop van de grappige papegaaiduikers. Deze bijzonder onhandige vogels, met gigantische bek en poten, maar hele korte vleugels, hebben het niet gemakkelijk op te stijgen vanop zee. Des te grappiger om hen te zien proberen opstijgen. Helaas voor de fotografen bleken ze toch bijzonder snel te bewegen, en nog veel vaker gewoon meteen te duiken in plaats van weg te vliegen.
Even later was het dan toch prijs, als we plots de vinnen van dolfijnen zagen boven komen. Een groep van een viertal dolfijnen dartelde rond de boot, de grote dieren waren pijlsnel. De boot kon hen uiteraard niet goed volgen, maar de dolfijnen hadden wel zin in een spelletje en zwommen nieuwsgierig om ons heen. De andere boten kwamen ook al snel dichterbij, dus lieten we de dolfijnen aan hen over. Even verderop had onze kapitein de rugvin van een dwergvinvis gespot. Het majestueuze dier - dat gemiddeld zo'n tien ton weegt - liet zich niet meer zien dan enkel de rugvin, maar de aanwezigheid van zo'n grote zeebewoner bracht de hele boot in vervoering. En plots zagen we de ene na de andere vin boven water komen. We waren blijkbaar in een groep terecht gekomen, want er waren wel zeven dwergvinvissen te zien. Jammer genoeg dus kwamen ze niet zo heel ver boven, waardoor je niet echt een volledig beeld van de walvis krijg, maar soms kwam deze met volle kracht naar boven schieten met opengesperde bek, en kreeg je toch een idee van de kracht en de gestalte van deze wezens. De drie uur van de tocht zat er veel te rap op en voor we het wisten stonden we alweer op vaste grond, vele foto's rijker.

Daarna gingen we op weg om onze lus te vervolledigen; we trokken naar Asbyrgi. Deze kloof rijst op uit de vlakte, en zou volgens de legende gemaakt zijn door de hoef van Sleipnir, het legendarische paard uit de Sagen. We hadden geen fut om de lange wandeling naar de top van de klip te maken, maar vonden een uitzichtspunt dat ruimschoots voldeed. De kloof is goed beschermd en bebost, en er heerste een heerlijk sfeertje. Van dan af was het uit met de pret, we gingen over één van de meest beruchte banen van Ijsland rijden: de baan naar Dettifoss. Volgens zo'n beetje iedereen was dit een rotslechte weg. Eenmaal op de weg echter, bleek dit reuzegoed mee te vallen. Na de tocht naar Skalanes was dit misschien niet zo'n verrassing, deze weg bleek achteraf op kaart ingetekend te zijn als 'pad', in plaats van 'weg'. De weg van Dettifoss was nog ingetekend als weg, en was dan ook best berijdbaar. We passeerden eerst het kleine broertje, de Hafragilsfoss. Het was hier duidelijk rustiger dan aan de grote waterval verderop, maar het uitzicht was er niet minder om. De enorme kracht van het water voelden we zelfs tot waar we zaten, zo krachtig is deze rivier, die tonnen en tonnen klei meesleurt en daarom zo'n bruine kleur heeft.
Verderop kwamen we dan aan de Dettifoss zelf, waar we zelfs tot vlak naast konden gaan staan, en voor wie al zijn vijzen kwijt is, er zelfs in konden als we zouden willen, door gewoon een stap verder te zetten.
We wandelden een heel stuk langs de rivier stroomopwaarts over de rotsen die in de lente hoogstwaarschijnlijk meedogenloos verpulverd worden door de grote massa's smeltwater. We kwamen uit aan de Selfoss, een hele brede waterval, niet zo hoog als Dettifoss, maar een enorm lange, die heel veel waterdamp deed opwaaien en een enorm gedruis veroorzaakte.

Na de watervallen reden we terug door naar de hoofdbaan, waar we opnieuw langs Hverir kwamen en terug op de camping uitkwamen. We aten snel iets, en gingen onszelf daarna verwennen in de Jarbadsholar-baden, geneeskrachtige en ontspannende baden, uiteraard gevoed door de lokale hete bronnen. Deze liggen wat hoger op de heuvel, en het uitzicht op de omgeving is dan ook majestueus. Veel meer als een beetje rondhuppelen in de baden kan men niet doen, maar de temperatuur is zalig, en het was er heel rustig, of toch nadat een troep bejaarde Nederlanders het bad had verlaten. Geheel ontspannen konden we daarna met een uitzonderlijk tevreden gevoel de tent inkruipen.

Rit: Reykjahlid naar Husavik naar Reykjahlid

zaterdag 26 juni 2010

26/06/10 - kleurtjes en geurtjes

In de open vlakte van Modrudalur was het lastig slapen. De tent hield het gelukkig, maar veel overschot hadden we toch niet. Bovendien was het rillen en klappertanden, want ondanks onze slaapzakken die tegen vorstelijke temperaturen kunnen, was het echt koud in de tent. Verschillende keren werden we wakker om toch maar een extra laagje kleren aan te doen, en zelfs onszelf helemaal in te graven in de slaapzak.

Gelukkig konden we 's morgens opstaan met een zonnetje, en een ietsiepietsie minder wind. 10 Beaufort of zo, in plaats van 11... Na het laten uitwaaien van onze tent (wat niet zo moeilijk was) zetten we op weg naar Krafla. Dat was niet zoveel verder. Dit vulkanisch heel actieve gebied vertoont enkele prachtige natuurverschijnselen. Eerst beklommen we de berg Leirhnjukur, waar oude zwavelputten te vinden zijn. De stank is bijna niet te harden, maar het kleurenspektakel doet de rotte-eieren-geur bij momenten echt vergeten. Ook het uitzicht op de omgeving, met de kolossale lavavelden is prachtig. Er tegenover, ligt het Viti-meer. Dat is een meer dat ontstaan is in een krater van een explosievulkaan. Er lag zelfs in die omgeving nog sneeuw! En dat terwijl het daar toch bijzonder warm is. De vulkanische activiteiten daar hadden er ook voor gezorgd dat er een geothermische energiecentrale gebouwd was, die blijkbaar een aantal aardschokken en uitbarstingen heeft overleefd zonder schade.
Beneden in het vlakke dal, ligt Hverir. Dit zijn hete modderpoelen en stoomgaten, waar ook een sterk geurtje hangt. En ook hier weer zijn de kleuren heel spektaculair. Bovendien is het grappig te zien hoe de toeristen steeds dichter bij een put gaan staan, waarin kokende modder pruttelt. Foto's van onverwachte explosies en de gevolgen ervan laten hen duidelijk koud. Merkwaardig genoeg, aangezien de modder tot boven kookpunt raakt. Vervolgens kwamen we aan in onze eindbestemming, Reykjahlid. We zagen een prachtige camping liggen, dus stuurden daarop af. Helaas bleek deze niet onze campingkaart te accepteren, dus zochten we verder naar de juiste site. We vonden deze op de rand van het dorp, totaal onbeschermd alweer. Gelukkig was er een heel stuk minder wind.

Eerst gingen we nog even langs de toeristische informatiedienst. We kochten er de obligate kaartjes en verstuurden deze naar huis. We probeerden ook geregeld te krijgen dat de dienst onze tickets voor de whale watching zou boeken, maar dat hadden ze duidelijk niet door. We hebben dit dan maar zelf gedaan...

We zetten onze tent recht, en reden daarna nog naar Grotagja, een grot die vol staat met heel aangenaam warm water. Baden wordt er sterk afgeraden wegens de slechte doorstroming, en dus besloten we dit maar over te slaan. Wat verderop langs het Myvatn-meer ligt Dimmuborgir. Dit is een fenomeen met allemaal huizenhoge lavazuilen, waartussen je mooie wandelingen kan maken. Het zicht op de omgeving is heel mooi, zeker op de grote vulkaan die ook kan beklommen worden, maar waar wij de fut niet meer voor hadden. We vonden ook de "kerk", een grote spelonk gevormd door ingestorte lava die zo een grot vormde.

Met zicht op het grote meer kookten we dan in alle rust, maar later op de avond moesten we toch weer gaan schuilen voor de opnieuw sterk opgekomen wind, die ons kon verkillen tot op het bot.

Rit: Modrudalur naar Reykjahlid

vrijdag 25 juni 2010

25/06/10 - Bibberen

Na een heel rustige nacht (waarin Klaar scheef in de tent lag, naar eigen zeggen) werden we wakker onder een stralend blauwe lucht. Er stond een koude noordoosten-wind, maar de zon maakte heel veel goed. Vandaag moesten we niet zoveel kilometers rijden, dus deden we alles op een rustig tempo. We dachten nog een wandeling te doen naar de top van de fjord, waar nog sneeuw lag. Maar de toeristische dienst vertelde ons dat we waarschijnlijk niet ver zouden raken, door de vele sneeuw die er nog lag. De dienst raadde ons aan om naar Skalanes te gaan. Dat was een gerenoveerde boerderij aan de inham van de fjord. Volgens de dienst een goed berijdbare weg tot aan een rivierdoorsteek. We besloten daar naartoe te trekken met de auto. De eerste honderd meter was dat inderdaad een goed berijdbare weg. Gravel, maar niet zo erg. Maar daarna! Grote brokken, diepe putten, en dat in een huurwagen! De meest stresserende minuten van mijn leven later stonden we aan een parking, vlak aan de vermelde rivierdoorsteek. Daar stond ook een campingwagen, camping cosmos. Bleken het Zwitsers te zijn, die daar de nacht hadden doorgebracht, na de vorige dag van de ferry gekomen te zijn. We zouden ze de komende dagen nog wel tegenkomen. Daar moesten we nog een wandeling maken van een vijftal kilometer naar de boerderij. Een boerderij is wel veel gezegd, want het is eigenlijk een hotel geworden. Zelfs met een jacuzzi. We zaten al te fantaseren wat een fantastische zicht je op de fjord wel kon hebben vanuit die jacuzzi. Maar veel tijd hadden we niet, want al meteen werden we aangevallen door Noorse sternen. Deze vallen meteen alles in de buurt aan. Of toch het hoogste punt ervan, zoals de bovenkant van mijn hoofd mocht ervaren. Wild wapperen met handen hielp niet echt. Een Ijslander is zijn 4x4 wist ons laconiek te vertellen dat gewoon een vinger of een stok in de lucht steken al kon helpen. Hetgeen logisch is aangezien de sternen enkel het hoogste punt aanvallen.
Vanaf de boerderij wandelden we door naar het einde van de fjord, waar een platform je uitzicht gaf over de vogelrotsen daar. Heel veel zeevogels, maar geen papegaaiduikers, waar we stiekem op gehoopt hadden. We genoten wel super van de blauwe hemel en de prachtige zichten op de fjord.
Nadat we teruggekeerd waren over diezelfde vreselijke weg, reden we terug over de fjord. Deze keer geen rendieren, maar wel prachtige zichten op de watervallen. We stopten er geregeld eens, en reden dan door naar Egilsstadir. Vandaar reden we langsheen het grote meer naar het einde daarvan, tot aan de wandeling naar de Hengifoss. Een wandeling die we natuurlijk vol enthousiasme aanvatten, maar wat we onszelf al snel moesten beklagen, want het was voor de verandering eens warm, en het pad naast een waterval heeft de vervelende eigenschap omhoog te gaan... Goed zwetend kwamen we dan aan de uitzicht-plaatsen op de Hengifoss en de Litlanefoss. Het was er wel prachtig, mooie zichten op de omgeving. Na deze mooie wandeling gingen we terug naar Egilsstadir, inkopen doen. Daarna gingen we door enorm dessolaat gebied naar het westen. De grote vlaktes zonder ook maar de minste mogelijkheid om iets te laten groeien, waren heel indrukwekkend. Maar eigenlijk ook wel een beetje beangstigend, want daar ergens in die vlakte lag onze camping. Even verder zagen we inderdaad de afslag naar Modrudalur, de plaats waar onze camping dus was. De camping was totaal onbeschermd, niets van boompjes, struikjes of wat dan ook dat onze tent enigszins kon beschermen. We zetten onze tent zo goed en zo kwaad als het kon recht, maar moesten dan nog een plekje zoeken om te koken. Gelukkig was er een klein ongebruikt huisje waarin we mochten koken. Het was er beschermd van de ijskoude NO-wind, maar helaas ook ijskoud. Snelsnel kookten we onze pot bij elkaar, en deden we de afwas. Aangezien er enkel een heel mooi zicht op de Herdubreid was, een grote alleenstaande berg, kropen we heel snel in onze tent en pakten we onszelf zo warm mogelijk in.

Rit: Seydisfjördur naar Modrudalur

donderdag 24 juni 2010

24/06/10 - It's a very long way

Na de regen van gisteren, was het vandaag al niet veel beter. We werden deze keer wakker met gedruppel op de tent. Afwachten in de eetzaal, maar gelukkig stopte het dan toch met regenen, alhoewel de bewolking niet optrok. Vandaag was een dag dat we heel veel kilometers moesten afleggen. We gingen helemaal naar het oosten van het eiland rijden, een rit van wel 400 km. Onderweg niet zo heel veel bijzonderheden te zien, maar de rit langs de fjorden beloofde toch wel wat. We vertrokken dus met de ruitenwissers aan, en gaandeweg verbeterde het weer niet echt. In Hof, een boerderij, stond een heel mooi gerestaureerd kerkje. Enkele keren zagen we de bewolking een beetje breken en kregen we uitzicht op de grote gletsjers. Deze gletsjer is bereikbaar. We sloegen af voor Fjallsarlon, een meer aan de voet van een gletsjertong, waarin grote - nee, enorme, zo groot als een lichte vrachtwagen - ijsblokken ronddreven. We probeerden door te steken naar een ander ijsmeer, maar de brug daarheen was kapot, enkel de pijlers stonden er nog. Dat betekende dat we helemaal terug naar de hoofdweg moesten. We reden dan maar door naar Jokulsarlon, het bekende ijsmeer. Dat was een heel stuk commerciëler uiteraard, aangezien dit nog veel gemakkelijker bereikbaar was. Een heel stuk voor het toeristen-mekka, zetten we ons even opzij, en beklommen een dijk. We hadden door een gat in die dijk, grote ijsschollen gezien. Van boven op de dijk hadden we een prachtig zicht op Jokulsarlon, zonder tussen de toeristen te moeten gaan staan. We stopten uiteraard ook nog eens aan het toeristenstation, waar we ook de ijsblokken tot in de zee konden volgen.

Het was opnieuw beginnen regenen, verderop langs de zuidoostelijke kust kwamen we doorheen een gigantisch lavaveld van een uitbarsting honderden jaren geleden, en kwamen langsheen een merkwaardig schouwspel : tientallen steenmannetjes. Dit zijn opgebouwde hoopjes, gemaakt van keien, die daar in overvloed aanwezig zijn.
Gelukkig was het een dag om veel afstand te rijden, zodat we niet teveel in de regen moesten uitstappen, maar dat verhinderde wel dat we ten volle konden genieten van de uitzichten in de fjorden. Nu was het een somber en dreigend spektakel, de ene fjord inrijden, en aan de andere kant weer uitrijden. Zo naderden we uiteindelijk Egilsstadir, waar we de afslag namen naar Seydisfjördur, het einddoel van onze rit vandaag. Daarvoor moesten we helemaal over de kam van de fjord naar boven rijden, en aan de andere kant opnieuw naar beneden. Deze kam is heel steil, de weg kronkelde naar boven in haarspeldbochten. Elke bocht zagen we de temperatuur zakken, tot een minimum van 2°! Sommige plekjes voelden al wat glad aan. En dan moesten we nog naar beneden! Een memorabele maar heikele rit bracht ons naar de top van de fjord, en langs enkele bruisende watervallen reden we naar beneden, naar Seydisfjördur. Bovenop de kam was het uiteraard bibberen, zowel van de stress op de weg, als van de kou.
Bij de rit naar beneden was het nog eens bibberen, maar deze keer van enthousiasme, want we hadden rendieren ontdekt op de flanken! Beneden in het dorp, waar ook de grote ferries van het Europese vasteland aankomen, was het echte heel rustig en aangenaam. Er was bijna geen wind, de wolken waren niet volledig over de fjord geraakt, dus de zon brak er door. We zetten de tent op op de camping in het midden van het dorp en wandelden dan naar de zwemkom. Daar was ook een hotpot, waar we onszelf weer helemaal ontspanden en op temperatuur brachten. We slenterden 's avonds nog door het dorpje, in de windstille fjord, met als enige geluid het gedruis van een waterval aan de rand van het dorp.

Rit : Svinafell naar Seydisfjördur

woensdag 23 juni 2010

23/06/10 - watervallen klauteren

Deze morgen werden we gewekt door een heerlijk zonnetje op de tent. Na het ontbijt en het opbreken van de tent, gingen we nog snel even tanken. Eerst stop, de Seljalandfoss-waterval. Dit is een waterval die door heel veel toeristen bezocht wordt, en wij zochten verderop nog enkele kleinere watervalletjes op. Deze zijn eigenlijk even hoog als de Seljalandfoss, maar met dat verschil dat je achter de Seljalandfoss kan gaan wandelen. En dat bussen er beter kunnen parkeren...
We vonden een wegje dat naar boven kronkelde langsheen een smalle waterval die in een gat in de grond leek te vallen. Een prachtige beschermde kloof is het resultaat. Voor we het wisten, stonden we boven op het plateau waar de watervallen over tuimelen. We wandelden de lengte af, in de richting van de Seljalandfoss. Daar boven is het niets meer dan een wei, maar met prachtige zichten op de Westmannaer-eilanden, en op de omgeving, waar in het begin van dit jaar de zondvloed passeerde, als gevolg van de vulkaanuitbarsting. Veel is er niet meer van te merken voor de toeristen, maar verschillende weiden zijn helemaal dor en zwart, en ook waar het water overal het land meegesleurd heeft, zijn nog overblijfselen te zien. Nadat we opnieuw naar beneden gewandeld waren en toch ook even achter de Seljalandfoss gestaan hadden, temidden van de toeristen, zetten we door naar Skogafoss. Ook dit is een heel indrukwekkende waterval, waar je - deze keer wel langs aangelegde, maar vermoeiende trappen - ook naar boven kan klimmen. Het is het begin van een meerdaagse naar het binnenland van Ijsland, maar zover gingen we uiteraard niet gaan. We besloten enkele bochten te gaan, maar na elke bocht zag je opnieuw een prachtig zicht, hoorde je het bulderen van een waterval, of het opstijgen van de waterdamp. En dus bleven we maar wandelen, tot we echt besloten dat het dan wel ver genoeg was. We waren helemaal alleen, op een paar schapen na (uiteraard) en besloten daar in die rustige omgeving, onze lunch op te eten. Boven het eindpunt van de meerdaagse, Landmannalaugar, zagen we de donkere wolken al samentroepen. Na deze waterval gingen we naar Solheimajökull, een goed bereikbare gletsjertong. De eerste maal zo dicht bij een gletsjertong staan, daar wordt je stil van. De tong lag helemaal onder het vuil, waarschijnlijk dus ook van de vulkaanuitbarsting, maar zelfs dan voel je de aanwezigheid van de enorme massa ijs voor je.
Ondertussen was de hemel helemaal dichtgetrokken met donkere wolken. We passeerden langs Dyrrholaey, waar we op een vreselijk slechte baan, en bijzonder steil op het laatste stuk, naar een uitzichtspunt reden. Helaas was het weer totaal omgeslagen, en was er dus niet zoveel te zien. Het is een schitterend uitzichtspunt, met in elke windrichting wel wat te zien, maar enkel en alleen bij goed weer.
Dit ligt niet zo ver van Vik, maar daar was het zwaar aan het regenen. In Kirkjubaejarklaustur bezochten we nog gauw het basalten pleintje dat leek alsof het aangelegd was door mensen, maar een volledig natuurlijk verschijnsel is. Daarna reden we helemaal door richting camping, maar bij naderen van deze zagen we de gigantische omvang van de gletsjers. Er is nog het nationaal park Skaftafell, maar met het slechte weer besloten we dit toch maar over te slaan. Voor we de tent rechtzetten, rijden we nog even naar een gletsjertong, waar we in een brede kloof kunnen genieten van de stille aanwezigheid van dit natuurverschijnsel.

Gelukkig hebben we bij deze camping een centrale keuken, waar we binnen kunnen zitten, en gemakkelijk kunnen koken. We duiken dan de tent in en gaan met geroffel op de tent slapen. Deze nacht is het eenvoudig in te slapen, want we hebben veel inspanning gedaan en het is min of meer donker door de grijze wolken.

Rit: Hvollsvöllur naar Svinafell

dinsdag 22 juni 2010

22/06/10 - Ijsland, here we are!

Een late vlucht naar Ijsland, maar gelukkig stond onze chauffeur van Motel Alex ons op te wachten. We kregen een cabine toegewezen, waar we het gelukkig donker konden maken, want ondanks het middernachtelijke uur was het nog steeds niet donker in Ijsland. 's Ochtends na het ontbijt bracht de chauffeur ons terug naar de luchthaven, waar we onze auto konden oppikken. Met onze Mazda ingeladen, zetten we op weg, op zoek naar een supermarkt.
De rit van Keflavik naar Reykjavik zagen we reeds de speciale natuur van Ijsland die het eiland zo aantrekkelijk maakt. Na een toertje rondrijden aan de rand van Reykjavik vonden we de supermarkt. We kochten onze voorraad voor de komende dagen, zodat we geen tijd hoefden te verliezen met elke dag te moeten gaan inkopen.

De eerste echte stop was dan Thingvellir. Onderweg passeerden we Nessjavellir, waar we lunchten op de top van lavabrokken, na een leuke wandeling doorheen de lavavelden. Aan Nessjavellir volgden we een groot meer, dat eindigde aan Thingvellir. Dit was een nieuwe baan, en prachtig aangelegd. Links hadden we een oude bergkam, en rechts het meer. Daartussen slingerde dan de baan, een plezier om over te rijden.
Van Thingvellir hadden we grote verwachtingen. Al bij al stelde het niet zo heel veel voor, deze scheur in de aardkost, waar de Europese en Amerikaanse aardplaten elkaar raakten. Maar de prachtige natuur maakte wel veel goed. Helaas zijn we er in geslaagd de waterval daar niet te vinden... Daarna kwam het kratermeer Kerid aan de beurt, heel erg mooi. Overal in Ijsland liggen van die oude vulkanenkraters, waar je dan op kan klauteren, met prachtige vergezichten op de omgeving.
Verderop stond het merkwaardige Geysir en Strokkur op het programma. Deze geisers zijn bijzonder imponerend, zelfs degene die niet spuiten zoals de oorspronkelijke Geysir. Voor een eerste maal een geiser te zien, is heel speciaal. De ademtocht van de aarde te zien en voelen, maakt je als mens wel heel erg klein. Het samentrekken van water en met een enorme uitbarsting laten de lucht invliegen tot een enorme fontein van heet water dat vervliegt in een stoomwolk tegen de Ijslandse hemel, is een fenomeen dat je niet gauw vergeet.
Ergens in die buurt ligt ook een hele leuke wandeling met als einddoel een heel verborgen waterval, de Bruarfoss. Deze waterval is van een uitzonderlijke schoonheid, waarbij het donkere snelstromende water scherp afsteekt tegen het onaards helder blauwe water als het over de afgrond raast en zich mengt met de lucht.

Ijsland is een land van water en vuur, dat leren alle vakantiefolders ons. Maar dat is ook de waarheid, want het eiland is gevormd door vulkanen (en wordt er nog steeds door gevormd), maar ligt vol watervallen, rivieren, beekjes en sneeuwvlakten. De eerst grote waterval die we vonden, was Gulfoss. Deze bijzonder indrukwekkende waterval was de laatste bezienswaardigheid voor we de camping gingen opzoeken. De flinke wind en het gure weer zorgden ervoor dat we niet zo lang konden genieten van deze titanische waterval, maar zelfs in de korte tijd naast de uitgesleten kloof maakte de waterval veel indruk op ons.

We vonden onze camping in Hvollsvöllur heel vlot, maar deze stelde heel weinig voor. Tijd voor onze kookkunsten op een gasvuurtje eens te demonstreren. We hadden voor het gemak hamburgers gekocht, met broodjes en enkele groentjes. De meeste zaken waren best lekker, behalve het meest essentiële ingrediënt; de hapmburgers zelf. Misschien was de goedkope prijs wel een indicatie geweest. Los van de smaak, vulde de maaltijd wel, en na de afwas gedaan te hebben, kropen we onze slaapzak in, in onze tent, klaar voor de tweede nacht op Ijslandse bodem.

Rit: Keflavik naar Hvollsvöllur