woensdag 30 juni 2010

30/06/10 - de Westelijke fjorden

Na wat niet anders had kunnen zijn dan een fantastische nacht, werden we wakker onder een bewolkte maar droge hemel. Alles terug in de auto gooien, en dan echt de westelijke fjorden eens gaan bekijken. We volgden dezelfde weg als de dag ervoor, maar deze was blijkbaar opnieuw veranderd van Weg 68 naar Weg 61. Maar nog steeds lag deze niet zoals de kaart aangaf. Erg was dat niet, want de weg lag er echt piekfijn bij.
Het weer werd zowaar een beetje beter, en als de zon erdoor kwam piepen, veranderde de omgeving in een ware symfonie van kleuren. We kwamen door de verschillende fjorden, heel veel papegaaiduikers tegen. Geregeld stopten we even om de grappige beestjes te bekijken, terwijl deze aan het jagen waren in de diepe maar heldere wateren van de fjorden. Bij één van die stops werden we zelfs begroet door een zeehond! Het beest vond ons blijkbaar een even grote verrassing, maar wel zeer interessant, want nieuwsgierig kwam hij geregeld eens een kijkje nemen.

De rit voor de dag was niet zo heel ver, naar Isafjördur, helemaal in het noorden. We kwamen er aan in de camping van Tungudalur, een prachtige camping die heel beschermd ligt en waar een waterval naast ligt, waarvan de stroom doorheen de camping heen loopt. Ondertussen was merkwaardig genoeg de zon helemaal op volle kracht gaan schijnen en werd het zowaar warm. Dat beloofde voor de volgende dag, want dan hadden we gepland naar Hornstrandir over te steken. Dit is een enorm woest en groot natuurpark, waar je enkel per boot nog enigszins gemakkelijk geraakt. We gingen de stad in om deze toer te boeken, en kregen de schrik van ons leven toen we op de toerkalender 30 juni zagen staan. Gelukkig leven de Ijslanders in een heel speciale tijdzone, want 30 juni bleek donderdag te zijn ginds. Donderdag was de enige dag dat de toer naar Hornstrandir ging. Een beetje bekomen vroegen we dan of we ons konden inschrijven voor de toer van donderdag 1 juli. Helaas kregen we toen het deksel op de neus. Alle toers voor de volgende dag waren afgelast wegens de voorspelde storm. Aangezien vastzitten in een storm op een schiereiland dat tot in augustus onder de sneeuw kan liggen en door niets anders bereikbaar is dan een klein bootje via de open zee, had de operator toch maar wijselijk besloten de toer te annuleren. Pech voor ons dus.
We besloten onze frustratie eruit te sporten, en begonnen vol enthousiasme aan de klim naar boven op de waterval. Natuurlijk was dit weer zo'n verraderlijke wandeling, want de top van de waterval bleef maar boven ons liggen. Zwaar hijgend en liters zwetend kwamen we tenslotte aan bij zowaar een skihut. Uiteraard was deze voor de zomer buiten dienst, en we keerden dan aan de andere kant van de waterval terug naar beneden. We reden ook nog even naar Bolungarvik, een dorpje wat verder langs de kust.

Terug op de camping pasten we onze planning voor de volgende dagen dan maar lichtjes aan. De rest van de zonnige middag amuseerden we ons met spelletjes spelen (enfin, Klaar amuseerde zich, want zij won steeds met Uno) 's Avonds als de schemer inviel werd het dan wel een beetje koud en klommen we maar in de tent. De dag nadien moesten we dan toch niet hopeloos vroeg opstaan voor naar het natuurpark te gaan, als er dan toch iets positiefs daar over te vertellen was.

Rit: Holmavik naar Tungudalur

dinsdag 29 juni 2010

29/06/10 - Into the West Fjords

Goed uitgerust uit de tent gejaagd door de tropische temperatuur die opliep in onze tent zo vroeg 's morgens al. We hadden alweer een lange rit voor de boeg, recht de westelijke fjorden in. Daar hadden we beiden grote verwachtingen van, van dit door toeristen weinig bezochte gedeelte van Ijsland. We vertrokken dus met een stralende zon. Een eerste stop langs de snelweg was een achthoekig kerkje, stokoud en tegen een hele mooie achtergrond. Verderop lag Glaumbaer even van de Ringweg. Dit is net als Laufas een mooie gerestaureerde boerderij, en eveneens in een prachtige omgeving.

We zetten dan op weg naar een mysterieus spektakel. We moesten daarvoor de goede weg verlaten en een weg volgen die maar weinig meer was dan een slecht onderhouden karrespoor. Met veel boebels, stenen en deuken (gelukkig niet in de auto) bereikten we Borgarviki. Dit is een grote steenheuvel met bovenin een soort inzinking. Onderzoekers zijn er nog niet uit of dit nu een fort dan wel een schapenhut was geweest. Feit was dat je van de top een prachtig zicht op de omgeving had. Enfin, bij goed weer toch, want ons zicht was er eentje op regenwolken en de grijze omgeving. Het leek erop alsof de westelijke fjorden op dezelfde manier zouden gaan verlopen als de oostelijke.
De volgende stop was Osar, of liever, het strand van Osar. Daar lagen een hele kudde (of meute?) zeehonden te spelen en te slapen. Sommige van hen deden leuke sprongen in het water, maar de meeste namen genoegen met luieren op het strand. Aangezien de overkant nogal ver was om goed te zien, er ondertussen een ijzig koude wind stond en we opnieuw werden aangevallen door Noorse Sternen, kropen we maar snel terug achter het stuur van onze wagen. Verderop langs de kust staat een vreemdsoortig natuurfenomeen in de zee, Hvitserkur. Volgens de legende een draak, of versteende trollen, of rechtstanten van een schip. Volgens rationalisten een gewone rots met een eigenaardige vorm, die vaak als toilet gebruikt werd door de meeuwen. Het hele schiereiland is gekend voor en promoot zich met de zeehonden, en wat verder, in Svalbard, lagen ook al zeehonden voor de kust. Helaas ook weer hier net te ver om goed te kunnen zien. Enkel een foto op volledige zoom kon de contouren iets meer detail geven.

Terug langs de Ringweg kwam even verder de aansluiting van het westelijke uitstekende stuk Ijsland bij de grote brok, en daar zaten we even bijna verkeerd. De kaart die wij hadden, stuurde ons Weg 61 op, maar die zagen we helaas niet liggen. Opeens bleken we opnieuw richting Reykjavik te rijden, recht een pas op! Dat was duidelijk niet onze bedoeling en dus maakten we maar snel rechtsomkeer. Na wat draaien en keren besloten we toch maar Weg 68 te nemen, dat kwam het dichtst in de buurt van Weg 61. Enkele honderden meter verder stond langs Weg 68 een enorm bord dat onze vriendelijk informeerde in zowaar Engels en Ijslands dat Weg 61 nu Weg 68 genoemd werd. Vriendelijke mensen toch die Ijslanders. Maar toch niet zo goed opgelet tijdens de les Toerisme...

Maar het moet gezegd, de nieuwe Weg 68 lag er prachtig bij. Blijkbaar volgde deze niet helemaal het traject van Weg 61, maar erop rijden was al een plezier. Helaas hadden we de weergoden blijkbaar niet goed afgesmeekt, want de hemelsluizen openden zich weer en het rijden doorheen de fjorden werd een exacte kopij van de oostelijke. Met dat verschil dat het relief nog scherper en indrukwekkender en gewoon nog zotter was dan de oostelijke wederhelft. We kwamen na de lange rit aan in de gietende regen in Holmavik, ons einddoel voor deze dag. De camping was een heel mager beestje, bovendien stond deze niet op onze lijst van de campingkaart. We zagen dit totaal niet zitten en zochten onszelf dan maar een gastenkamer in het dorp. Dit vonden we even verderop, dankzij de bijzonder behulpzame juffrouw van het informatiebureau. We waren zo goed al alleen in het gastenhuis (we konden echt niet raden waarom dat kan zijn) en kregen zodoende een hele verdieping voor ons alleen, met living, slaapkamer, badkamer en keuken! Hier gingen we echt voor honderd procent van genieten! We installeerden ons, namen een heerlijk warme douche, schoten onszelf in gemakkelijke kleren en aten dan de balletjes in blik die helaas niet naar balletjes smaakten, maar meer naar blik. Het WK was volop bezig, en op de enige zender op de tv die we ook al hadden, zagen we Spanje tegen Portugal winnen. Na nog wat foto's gekeken te hebben, kropen we maar gezellig tussen de slaapzakken, die we enkel als deken gebruikten deze nacht.

Rit: Hrafnagil naar Holmavik

maandag 28 juni 2010

28/06/10 - Muggen en taalproblemen

Onze tweede nacht in Reykjahlid was even rustig als de vorige. We stonden ook opnieuw op met een mooie blauwe hemel. We braken onze boel op en gingen een kijkje nemen bij de pseudo-kraters. Temidden van de hopen toeristen, werden we ook geconfronteerd met de intrinsieke betekenis van Myvatn, muggenmeer. Hele horden muggen vielen ons (en ook de andere toeristen) aan en kropen in oren, neus, mond, alles wat maar vochtig was. We beklommen snel enkele van de kraters, maar hielden het snel voor bekeken, want de letterlijk miljoenen muggen maakten ons totaal horendol. Gelukkig staken of beten ze niet. In onze reisgids stond ook om de Vindbelgjarfjall te beklimmen. We begonnen de beklimming maar werden al gauw opnieuw aangevallen door muggen, terwijl we druipten van het zweet, want het was heel warm. Meer dan een halfuur deden we erover om boven te raken, en daar brak de hel helemaal los. Minstens evenveel muggen als er mensen op aarde rondlopen vielen ons aan als een donkere massa. Het was onmogelijk ook maar een seconde stil te staan om een foto te nemen, dus na een halve minuut maakten we ons daar alweer uit de voeten.

De volgende stop was al veel beter. We stopten aan de prachtige waterval de Godafoss. Met het invallende zonlicht kleurde deze waterval in de mooiste regenbogen. Ijsland is nog eens extra mooi als de zon alles kleurt, en onze volgende stop in Laufas bevestigde dat alleen maar. In Laufas stond een gerestaureerde boerderij. De prachtige kleine huisjes met felle kleuren steken mooi af tegen de omgeving en storen tegelijkertijd totaal niet.

Verder op weg naar het westen kwamen we in de grote stad Akureyri. Dat was onze eerste ontmoeting met echte drukte. Ijslanders zijn duidelijk niet gewoon op kleine ruimtes samen te leven, en dat getuigt zich in dwaas gedrag achter het stuur van hun immense 4x4's, alhoewel één op twee waarschijnlijk wel een toerist was. In Akureyri bezochten we even de speciale maar heel mooie kerk en de botanische tuin. Daarna deden we gauw inkopen in een al even chaotische als drukke supermarkt. We gingen opnieuw voor enkele dagen voorraad inslaan. Een leuk idee leek ons instant-klaar sauzen te kopen. Maar dat idee hebben we moeten laten varen, na minstens een uur te proberen de recepten te ontcijferen uit het Deens, Noors, Fins of Ijslands. We maakten dan maar een compromis en namen balletjes in saus mee in blik. Toegeven op de smaak, maar wel iets dat in proportie klaargemaakt was. We vonden gelukkig andere zaken, desnoods als plan B voor de balletjes.

Ten zuiden van de stad lag onze camping ergens. In eerste instantie waren we er met al ons enthousiasme voorbij gereden, maar dat was onze fout niet. Onze campingkaart vermelde een naam, maar het dorp waar de camping zou moeten zijn, had een andere naam. We kwamen dan uiteindelijk uit in Grund, waar één van de mooiste kerken staat die ik al gezien heb. Een klein kerkje, maar tegen een achtergrond waar postkaarten van gemaakt worden. Na de postkaart-foto keerden we dan terug naar de camping en probeerden onze tent recht te zetten. Helaas had iemand het lumineuze idee gehad beton onder de grasmat te gieten, waardoor we onze pinnen niet echt in de grond kregen. Een vriendelijke buur leende ons een groter formaat hamer - type voorhamer - en daarmee lukte het uiteindelijk wel.

Om de dag af te sluiten gingen we dan nog een halfuurtje in de hotpot van het zwembad vlak naast de camping zitten, om goed opgewarmd in onze tent te kruipen.

Rit : Reykjahlid naar Hrafnagil.

zondag 27 juni 2010

27/06/10 - Walvis! Dolfijn! Puffin!

Deze morgen vroeg opgestaan, met een staalblauwe lucht met geen enkel wolkje te bespeuren. Ideaal voor onze excursie van vandaag. We reden naar Husavik, waar we inscheepten op de Sylvia, van Gentle Giants. Deze boot zou ons in de baai tot zo dicht mogelijk bij de walvissen brengen. We vertrokken stipt op tijd en voeren een hele tijd rond zonder de minste rimpeling te zien. Iedereen aan boord tuurde zich de ogen uit het hoofd om maar iets te kunnen zien van beweging. De boot stuurde aan op een grote groep zeevogels. De ervaren kapitein en de begeleider hadden het vermoeden dat deze de restjes van het feestmaal van de walvis aan het oppeuzelen waren. De spanning steeg ten top aan boord en iedereen drumde wat naar voor om maar iets te kunnen zien, maar de vogels vlogen als één weg, zonder dat er een walvis naar boven kwam. Een zucht van ontgoocheling trok door de boot, maar al snel waren de camera's al aan het klikken, want tussen de zeevogels zaten ook een hele hoop van de grappige papegaaiduikers. Deze bijzonder onhandige vogels, met gigantische bek en poten, maar hele korte vleugels, hebben het niet gemakkelijk op te stijgen vanop zee. Des te grappiger om hen te zien proberen opstijgen. Helaas voor de fotografen bleken ze toch bijzonder snel te bewegen, en nog veel vaker gewoon meteen te duiken in plaats van weg te vliegen.
Even later was het dan toch prijs, als we plots de vinnen van dolfijnen zagen boven komen. Een groep van een viertal dolfijnen dartelde rond de boot, de grote dieren waren pijlsnel. De boot kon hen uiteraard niet goed volgen, maar de dolfijnen hadden wel zin in een spelletje en zwommen nieuwsgierig om ons heen. De andere boten kwamen ook al snel dichterbij, dus lieten we de dolfijnen aan hen over. Even verderop had onze kapitein de rugvin van een dwergvinvis gespot. Het majestueuze dier - dat gemiddeld zo'n tien ton weegt - liet zich niet meer zien dan enkel de rugvin, maar de aanwezigheid van zo'n grote zeebewoner bracht de hele boot in vervoering. En plots zagen we de ene na de andere vin boven water komen. We waren blijkbaar in een groep terecht gekomen, want er waren wel zeven dwergvinvissen te zien. Jammer genoeg dus kwamen ze niet zo heel ver boven, waardoor je niet echt een volledig beeld van de walvis krijg, maar soms kwam deze met volle kracht naar boven schieten met opengesperde bek, en kreeg je toch een idee van de kracht en de gestalte van deze wezens. De drie uur van de tocht zat er veel te rap op en voor we het wisten stonden we alweer op vaste grond, vele foto's rijker.

Daarna gingen we op weg om onze lus te vervolledigen; we trokken naar Asbyrgi. Deze kloof rijst op uit de vlakte, en zou volgens de legende gemaakt zijn door de hoef van Sleipnir, het legendarische paard uit de Sagen. We hadden geen fut om de lange wandeling naar de top van de klip te maken, maar vonden een uitzichtspunt dat ruimschoots voldeed. De kloof is goed beschermd en bebost, en er heerste een heerlijk sfeertje. Van dan af was het uit met de pret, we gingen over één van de meest beruchte banen van Ijsland rijden: de baan naar Dettifoss. Volgens zo'n beetje iedereen was dit een rotslechte weg. Eenmaal op de weg echter, bleek dit reuzegoed mee te vallen. Na de tocht naar Skalanes was dit misschien niet zo'n verrassing, deze weg bleek achteraf op kaart ingetekend te zijn als 'pad', in plaats van 'weg'. De weg van Dettifoss was nog ingetekend als weg, en was dan ook best berijdbaar. We passeerden eerst het kleine broertje, de Hafragilsfoss. Het was hier duidelijk rustiger dan aan de grote waterval verderop, maar het uitzicht was er niet minder om. De enorme kracht van het water voelden we zelfs tot waar we zaten, zo krachtig is deze rivier, die tonnen en tonnen klei meesleurt en daarom zo'n bruine kleur heeft.
Verderop kwamen we dan aan de Dettifoss zelf, waar we zelfs tot vlak naast konden gaan staan, en voor wie al zijn vijzen kwijt is, er zelfs in konden als we zouden willen, door gewoon een stap verder te zetten.
We wandelden een heel stuk langs de rivier stroomopwaarts over de rotsen die in de lente hoogstwaarschijnlijk meedogenloos verpulverd worden door de grote massa's smeltwater. We kwamen uit aan de Selfoss, een hele brede waterval, niet zo hoog als Dettifoss, maar een enorm lange, die heel veel waterdamp deed opwaaien en een enorm gedruis veroorzaakte.

Na de watervallen reden we terug door naar de hoofdbaan, waar we opnieuw langs Hverir kwamen en terug op de camping uitkwamen. We aten snel iets, en gingen onszelf daarna verwennen in de Jarbadsholar-baden, geneeskrachtige en ontspannende baden, uiteraard gevoed door de lokale hete bronnen. Deze liggen wat hoger op de heuvel, en het uitzicht op de omgeving is dan ook majestueus. Veel meer als een beetje rondhuppelen in de baden kan men niet doen, maar de temperatuur is zalig, en het was er heel rustig, of toch nadat een troep bejaarde Nederlanders het bad had verlaten. Geheel ontspannen konden we daarna met een uitzonderlijk tevreden gevoel de tent inkruipen.

Rit: Reykjahlid naar Husavik naar Reykjahlid

zaterdag 26 juni 2010

26/06/10 - kleurtjes en geurtjes

In de open vlakte van Modrudalur was het lastig slapen. De tent hield het gelukkig, maar veel overschot hadden we toch niet. Bovendien was het rillen en klappertanden, want ondanks onze slaapzakken die tegen vorstelijke temperaturen kunnen, was het echt koud in de tent. Verschillende keren werden we wakker om toch maar een extra laagje kleren aan te doen, en zelfs onszelf helemaal in te graven in de slaapzak.

Gelukkig konden we 's morgens opstaan met een zonnetje, en een ietsiepietsie minder wind. 10 Beaufort of zo, in plaats van 11... Na het laten uitwaaien van onze tent (wat niet zo moeilijk was) zetten we op weg naar Krafla. Dat was niet zoveel verder. Dit vulkanisch heel actieve gebied vertoont enkele prachtige natuurverschijnselen. Eerst beklommen we de berg Leirhnjukur, waar oude zwavelputten te vinden zijn. De stank is bijna niet te harden, maar het kleurenspektakel doet de rotte-eieren-geur bij momenten echt vergeten. Ook het uitzicht op de omgeving, met de kolossale lavavelden is prachtig. Er tegenover, ligt het Viti-meer. Dat is een meer dat ontstaan is in een krater van een explosievulkaan. Er lag zelfs in die omgeving nog sneeuw! En dat terwijl het daar toch bijzonder warm is. De vulkanische activiteiten daar hadden er ook voor gezorgd dat er een geothermische energiecentrale gebouwd was, die blijkbaar een aantal aardschokken en uitbarstingen heeft overleefd zonder schade.
Beneden in het vlakke dal, ligt Hverir. Dit zijn hete modderpoelen en stoomgaten, waar ook een sterk geurtje hangt. En ook hier weer zijn de kleuren heel spektaculair. Bovendien is het grappig te zien hoe de toeristen steeds dichter bij een put gaan staan, waarin kokende modder pruttelt. Foto's van onverwachte explosies en de gevolgen ervan laten hen duidelijk koud. Merkwaardig genoeg, aangezien de modder tot boven kookpunt raakt. Vervolgens kwamen we aan in onze eindbestemming, Reykjahlid. We zagen een prachtige camping liggen, dus stuurden daarop af. Helaas bleek deze niet onze campingkaart te accepteren, dus zochten we verder naar de juiste site. We vonden deze op de rand van het dorp, totaal onbeschermd alweer. Gelukkig was er een heel stuk minder wind.

Eerst gingen we nog even langs de toeristische informatiedienst. We kochten er de obligate kaartjes en verstuurden deze naar huis. We probeerden ook geregeld te krijgen dat de dienst onze tickets voor de whale watching zou boeken, maar dat hadden ze duidelijk niet door. We hebben dit dan maar zelf gedaan...

We zetten onze tent recht, en reden daarna nog naar Grotagja, een grot die vol staat met heel aangenaam warm water. Baden wordt er sterk afgeraden wegens de slechte doorstroming, en dus besloten we dit maar over te slaan. Wat verderop langs het Myvatn-meer ligt Dimmuborgir. Dit is een fenomeen met allemaal huizenhoge lavazuilen, waartussen je mooie wandelingen kan maken. Het zicht op de omgeving is heel mooi, zeker op de grote vulkaan die ook kan beklommen worden, maar waar wij de fut niet meer voor hadden. We vonden ook de "kerk", een grote spelonk gevormd door ingestorte lava die zo een grot vormde.

Met zicht op het grote meer kookten we dan in alle rust, maar later op de avond moesten we toch weer gaan schuilen voor de opnieuw sterk opgekomen wind, die ons kon verkillen tot op het bot.

Rit: Modrudalur naar Reykjahlid

vrijdag 25 juni 2010

25/06/10 - Bibberen

Na een heel rustige nacht (waarin Klaar scheef in de tent lag, naar eigen zeggen) werden we wakker onder een stralend blauwe lucht. Er stond een koude noordoosten-wind, maar de zon maakte heel veel goed. Vandaag moesten we niet zoveel kilometers rijden, dus deden we alles op een rustig tempo. We dachten nog een wandeling te doen naar de top van de fjord, waar nog sneeuw lag. Maar de toeristische dienst vertelde ons dat we waarschijnlijk niet ver zouden raken, door de vele sneeuw die er nog lag. De dienst raadde ons aan om naar Skalanes te gaan. Dat was een gerenoveerde boerderij aan de inham van de fjord. Volgens de dienst een goed berijdbare weg tot aan een rivierdoorsteek. We besloten daar naartoe te trekken met de auto. De eerste honderd meter was dat inderdaad een goed berijdbare weg. Gravel, maar niet zo erg. Maar daarna! Grote brokken, diepe putten, en dat in een huurwagen! De meest stresserende minuten van mijn leven later stonden we aan een parking, vlak aan de vermelde rivierdoorsteek. Daar stond ook een campingwagen, camping cosmos. Bleken het Zwitsers te zijn, die daar de nacht hadden doorgebracht, na de vorige dag van de ferry gekomen te zijn. We zouden ze de komende dagen nog wel tegenkomen. Daar moesten we nog een wandeling maken van een vijftal kilometer naar de boerderij. Een boerderij is wel veel gezegd, want het is eigenlijk een hotel geworden. Zelfs met een jacuzzi. We zaten al te fantaseren wat een fantastische zicht je op de fjord wel kon hebben vanuit die jacuzzi. Maar veel tijd hadden we niet, want al meteen werden we aangevallen door Noorse sternen. Deze vallen meteen alles in de buurt aan. Of toch het hoogste punt ervan, zoals de bovenkant van mijn hoofd mocht ervaren. Wild wapperen met handen hielp niet echt. Een Ijslander is zijn 4x4 wist ons laconiek te vertellen dat gewoon een vinger of een stok in de lucht steken al kon helpen. Hetgeen logisch is aangezien de sternen enkel het hoogste punt aanvallen.
Vanaf de boerderij wandelden we door naar het einde van de fjord, waar een platform je uitzicht gaf over de vogelrotsen daar. Heel veel zeevogels, maar geen papegaaiduikers, waar we stiekem op gehoopt hadden. We genoten wel super van de blauwe hemel en de prachtige zichten op de fjord.
Nadat we teruggekeerd waren over diezelfde vreselijke weg, reden we terug over de fjord. Deze keer geen rendieren, maar wel prachtige zichten op de watervallen. We stopten er geregeld eens, en reden dan door naar Egilsstadir. Vandaar reden we langsheen het grote meer naar het einde daarvan, tot aan de wandeling naar de Hengifoss. Een wandeling die we natuurlijk vol enthousiasme aanvatten, maar wat we onszelf al snel moesten beklagen, want het was voor de verandering eens warm, en het pad naast een waterval heeft de vervelende eigenschap omhoog te gaan... Goed zwetend kwamen we dan aan de uitzicht-plaatsen op de Hengifoss en de Litlanefoss. Het was er wel prachtig, mooie zichten op de omgeving. Na deze mooie wandeling gingen we terug naar Egilsstadir, inkopen doen. Daarna gingen we door enorm dessolaat gebied naar het westen. De grote vlaktes zonder ook maar de minste mogelijkheid om iets te laten groeien, waren heel indrukwekkend. Maar eigenlijk ook wel een beetje beangstigend, want daar ergens in die vlakte lag onze camping. Even verder zagen we inderdaad de afslag naar Modrudalur, de plaats waar onze camping dus was. De camping was totaal onbeschermd, niets van boompjes, struikjes of wat dan ook dat onze tent enigszins kon beschermen. We zetten onze tent zo goed en zo kwaad als het kon recht, maar moesten dan nog een plekje zoeken om te koken. Gelukkig was er een klein ongebruikt huisje waarin we mochten koken. Het was er beschermd van de ijskoude NO-wind, maar helaas ook ijskoud. Snelsnel kookten we onze pot bij elkaar, en deden we de afwas. Aangezien er enkel een heel mooi zicht op de Herdubreid was, een grote alleenstaande berg, kropen we heel snel in onze tent en pakten we onszelf zo warm mogelijk in.

Rit: Seydisfjördur naar Modrudalur

donderdag 24 juni 2010

24/06/10 - It's a very long way

Na de regen van gisteren, was het vandaag al niet veel beter. We werden deze keer wakker met gedruppel op de tent. Afwachten in de eetzaal, maar gelukkig stopte het dan toch met regenen, alhoewel de bewolking niet optrok. Vandaag was een dag dat we heel veel kilometers moesten afleggen. We gingen helemaal naar het oosten van het eiland rijden, een rit van wel 400 km. Onderweg niet zo heel veel bijzonderheden te zien, maar de rit langs de fjorden beloofde toch wel wat. We vertrokken dus met de ruitenwissers aan, en gaandeweg verbeterde het weer niet echt. In Hof, een boerderij, stond een heel mooi gerestaureerd kerkje. Enkele keren zagen we de bewolking een beetje breken en kregen we uitzicht op de grote gletsjers. Deze gletsjer is bereikbaar. We sloegen af voor Fjallsarlon, een meer aan de voet van een gletsjertong, waarin grote - nee, enorme, zo groot als een lichte vrachtwagen - ijsblokken ronddreven. We probeerden door te steken naar een ander ijsmeer, maar de brug daarheen was kapot, enkel de pijlers stonden er nog. Dat betekende dat we helemaal terug naar de hoofdweg moesten. We reden dan maar door naar Jokulsarlon, het bekende ijsmeer. Dat was een heel stuk commerciëler uiteraard, aangezien dit nog veel gemakkelijker bereikbaar was. Een heel stuk voor het toeristen-mekka, zetten we ons even opzij, en beklommen een dijk. We hadden door een gat in die dijk, grote ijsschollen gezien. Van boven op de dijk hadden we een prachtig zicht op Jokulsarlon, zonder tussen de toeristen te moeten gaan staan. We stopten uiteraard ook nog eens aan het toeristenstation, waar we ook de ijsblokken tot in de zee konden volgen.

Het was opnieuw beginnen regenen, verderop langs de zuidoostelijke kust kwamen we doorheen een gigantisch lavaveld van een uitbarsting honderden jaren geleden, en kwamen langsheen een merkwaardig schouwspel : tientallen steenmannetjes. Dit zijn opgebouwde hoopjes, gemaakt van keien, die daar in overvloed aanwezig zijn.
Gelukkig was het een dag om veel afstand te rijden, zodat we niet teveel in de regen moesten uitstappen, maar dat verhinderde wel dat we ten volle konden genieten van de uitzichten in de fjorden. Nu was het een somber en dreigend spektakel, de ene fjord inrijden, en aan de andere kant weer uitrijden. Zo naderden we uiteindelijk Egilsstadir, waar we de afslag namen naar Seydisfjördur, het einddoel van onze rit vandaag. Daarvoor moesten we helemaal over de kam van de fjord naar boven rijden, en aan de andere kant opnieuw naar beneden. Deze kam is heel steil, de weg kronkelde naar boven in haarspeldbochten. Elke bocht zagen we de temperatuur zakken, tot een minimum van 2°! Sommige plekjes voelden al wat glad aan. En dan moesten we nog naar beneden! Een memorabele maar heikele rit bracht ons naar de top van de fjord, en langs enkele bruisende watervallen reden we naar beneden, naar Seydisfjördur. Bovenop de kam was het uiteraard bibberen, zowel van de stress op de weg, als van de kou.
Bij de rit naar beneden was het nog eens bibberen, maar deze keer van enthousiasme, want we hadden rendieren ontdekt op de flanken! Beneden in het dorp, waar ook de grote ferries van het Europese vasteland aankomen, was het echte heel rustig en aangenaam. Er was bijna geen wind, de wolken waren niet volledig over de fjord geraakt, dus de zon brak er door. We zetten de tent op op de camping in het midden van het dorp en wandelden dan naar de zwemkom. Daar was ook een hotpot, waar we onszelf weer helemaal ontspanden en op temperatuur brachten. We slenterden 's avonds nog door het dorpje, in de windstille fjord, met als enige geluid het gedruis van een waterval aan de rand van het dorp.

Rit : Svinafell naar Seydisfjördur

woensdag 23 juni 2010

23/06/10 - watervallen klauteren

Deze morgen werden we gewekt door een heerlijk zonnetje op de tent. Na het ontbijt en het opbreken van de tent, gingen we nog snel even tanken. Eerst stop, de Seljalandfoss-waterval. Dit is een waterval die door heel veel toeristen bezocht wordt, en wij zochten verderop nog enkele kleinere watervalletjes op. Deze zijn eigenlijk even hoog als de Seljalandfoss, maar met dat verschil dat je achter de Seljalandfoss kan gaan wandelen. En dat bussen er beter kunnen parkeren...
We vonden een wegje dat naar boven kronkelde langsheen een smalle waterval die in een gat in de grond leek te vallen. Een prachtige beschermde kloof is het resultaat. Voor we het wisten, stonden we boven op het plateau waar de watervallen over tuimelen. We wandelden de lengte af, in de richting van de Seljalandfoss. Daar boven is het niets meer dan een wei, maar met prachtige zichten op de Westmannaer-eilanden, en op de omgeving, waar in het begin van dit jaar de zondvloed passeerde, als gevolg van de vulkaanuitbarsting. Veel is er niet meer van te merken voor de toeristen, maar verschillende weiden zijn helemaal dor en zwart, en ook waar het water overal het land meegesleurd heeft, zijn nog overblijfselen te zien. Nadat we opnieuw naar beneden gewandeld waren en toch ook even achter de Seljalandfoss gestaan hadden, temidden van de toeristen, zetten we door naar Skogafoss. Ook dit is een heel indrukwekkende waterval, waar je - deze keer wel langs aangelegde, maar vermoeiende trappen - ook naar boven kan klimmen. Het is het begin van een meerdaagse naar het binnenland van Ijsland, maar zover gingen we uiteraard niet gaan. We besloten enkele bochten te gaan, maar na elke bocht zag je opnieuw een prachtig zicht, hoorde je het bulderen van een waterval, of het opstijgen van de waterdamp. En dus bleven we maar wandelen, tot we echt besloten dat het dan wel ver genoeg was. We waren helemaal alleen, op een paar schapen na (uiteraard) en besloten daar in die rustige omgeving, onze lunch op te eten. Boven het eindpunt van de meerdaagse, Landmannalaugar, zagen we de donkere wolken al samentroepen. Na deze waterval gingen we naar Solheimajökull, een goed bereikbare gletsjertong. De eerste maal zo dicht bij een gletsjertong staan, daar wordt je stil van. De tong lag helemaal onder het vuil, waarschijnlijk dus ook van de vulkaanuitbarsting, maar zelfs dan voel je de aanwezigheid van de enorme massa ijs voor je.
Ondertussen was de hemel helemaal dichtgetrokken met donkere wolken. We passeerden langs Dyrrholaey, waar we op een vreselijk slechte baan, en bijzonder steil op het laatste stuk, naar een uitzichtspunt reden. Helaas was het weer totaal omgeslagen, en was er dus niet zoveel te zien. Het is een schitterend uitzichtspunt, met in elke windrichting wel wat te zien, maar enkel en alleen bij goed weer.
Dit ligt niet zo ver van Vik, maar daar was het zwaar aan het regenen. In Kirkjubaejarklaustur bezochten we nog gauw het basalten pleintje dat leek alsof het aangelegd was door mensen, maar een volledig natuurlijk verschijnsel is. Daarna reden we helemaal door richting camping, maar bij naderen van deze zagen we de gigantische omvang van de gletsjers. Er is nog het nationaal park Skaftafell, maar met het slechte weer besloten we dit toch maar over te slaan. Voor we de tent rechtzetten, rijden we nog even naar een gletsjertong, waar we in een brede kloof kunnen genieten van de stille aanwezigheid van dit natuurverschijnsel.

Gelukkig hebben we bij deze camping een centrale keuken, waar we binnen kunnen zitten, en gemakkelijk kunnen koken. We duiken dan de tent in en gaan met geroffel op de tent slapen. Deze nacht is het eenvoudig in te slapen, want we hebben veel inspanning gedaan en het is min of meer donker door de grijze wolken.

Rit: Hvollsvöllur naar Svinafell

dinsdag 22 juni 2010

22/06/10 - Ijsland, here we are!

Een late vlucht naar Ijsland, maar gelukkig stond onze chauffeur van Motel Alex ons op te wachten. We kregen een cabine toegewezen, waar we het gelukkig donker konden maken, want ondanks het middernachtelijke uur was het nog steeds niet donker in Ijsland. 's Ochtends na het ontbijt bracht de chauffeur ons terug naar de luchthaven, waar we onze auto konden oppikken. Met onze Mazda ingeladen, zetten we op weg, op zoek naar een supermarkt.
De rit van Keflavik naar Reykjavik zagen we reeds de speciale natuur van Ijsland die het eiland zo aantrekkelijk maakt. Na een toertje rondrijden aan de rand van Reykjavik vonden we de supermarkt. We kochten onze voorraad voor de komende dagen, zodat we geen tijd hoefden te verliezen met elke dag te moeten gaan inkopen.

De eerste echte stop was dan Thingvellir. Onderweg passeerden we Nessjavellir, waar we lunchten op de top van lavabrokken, na een leuke wandeling doorheen de lavavelden. Aan Nessjavellir volgden we een groot meer, dat eindigde aan Thingvellir. Dit was een nieuwe baan, en prachtig aangelegd. Links hadden we een oude bergkam, en rechts het meer. Daartussen slingerde dan de baan, een plezier om over te rijden.
Van Thingvellir hadden we grote verwachtingen. Al bij al stelde het niet zo heel veel voor, deze scheur in de aardkost, waar de Europese en Amerikaanse aardplaten elkaar raakten. Maar de prachtige natuur maakte wel veel goed. Helaas zijn we er in geslaagd de waterval daar niet te vinden... Daarna kwam het kratermeer Kerid aan de beurt, heel erg mooi. Overal in Ijsland liggen van die oude vulkanenkraters, waar je dan op kan klauteren, met prachtige vergezichten op de omgeving.
Verderop stond het merkwaardige Geysir en Strokkur op het programma. Deze geisers zijn bijzonder imponerend, zelfs degene die niet spuiten zoals de oorspronkelijke Geysir. Voor een eerste maal een geiser te zien, is heel speciaal. De ademtocht van de aarde te zien en voelen, maakt je als mens wel heel erg klein. Het samentrekken van water en met een enorme uitbarsting laten de lucht invliegen tot een enorme fontein van heet water dat vervliegt in een stoomwolk tegen de Ijslandse hemel, is een fenomeen dat je niet gauw vergeet.
Ergens in die buurt ligt ook een hele leuke wandeling met als einddoel een heel verborgen waterval, de Bruarfoss. Deze waterval is van een uitzonderlijke schoonheid, waarbij het donkere snelstromende water scherp afsteekt tegen het onaards helder blauwe water als het over de afgrond raast en zich mengt met de lucht.

Ijsland is een land van water en vuur, dat leren alle vakantiefolders ons. Maar dat is ook de waarheid, want het eiland is gevormd door vulkanen (en wordt er nog steeds door gevormd), maar ligt vol watervallen, rivieren, beekjes en sneeuwvlakten. De eerst grote waterval die we vonden, was Gulfoss. Deze bijzonder indrukwekkende waterval was de laatste bezienswaardigheid voor we de camping gingen opzoeken. De flinke wind en het gure weer zorgden ervoor dat we niet zo lang konden genieten van deze titanische waterval, maar zelfs in de korte tijd naast de uitgesleten kloof maakte de waterval veel indruk op ons.

We vonden onze camping in Hvollsvöllur heel vlot, maar deze stelde heel weinig voor. Tijd voor onze kookkunsten op een gasvuurtje eens te demonstreren. We hadden voor het gemak hamburgers gekocht, met broodjes en enkele groentjes. De meeste zaken waren best lekker, behalve het meest essentiële ingrediënt; de hapmburgers zelf. Misschien was de goedkope prijs wel een indicatie geweest. Los van de smaak, vulde de maaltijd wel, en na de afwas gedaan te hebben, kropen we onze slaapzak in, in onze tent, klaar voor de tweede nacht op Ijslandse bodem.

Rit: Keflavik naar Hvollsvöllur