vrijdag 2 juli 2010

02/07/10 - Honderden vogels

De voorbije nacht was een helse nacht. De tent werd soms bijna helemaal plat tegen de grond geblazen en de regen roffelde aan het snelste tempo ooit op de zeilen. Gelukkig was tegen de ochtend alles weggeblazen. Of toch het onweer, de tent en onze auto stonden er gelukkig nog. Met een opgelucht gevoel, maar amper uitgeslapen hadden we ontbijt onder een rustige hemel. We braken de tent op en gingen naar onze grote stop voor vandaag, Latrabjarg.

Niet zover van de camping lag een eerste toeristische stop. Een scheepswrak, het eerste metalen schip in Ijsland, was daar aan land gesleept, en dan maar meteen tot nationaal monument gebombardeerd. Een geniale zet, om 'roestend schip' als omschrijving van het monument te kiezen; maakt meteen enige investering is conservatie overbodig. Daar aan het wrak eindigde voor ons de gewone asfaltweg, en begonnen we aan een heel erg lang stuk gravelroad. Gelukkig was de weg breed en behoorlijk vlak. Maar we waren nog geen drie kilometer op de weg, toen een vreselijk schurend geluid, als van metaal op metaal, ons dwong te stoppen. Alles nakijken en controleren wat er te controleren was, leverde niets op. Het geluid bleef. Heel voorzichtig en heel traag besloten we door te rijden tot de eerste boerderij, om te zien of daar iemand ons kon helpen. Helaas (of uiteraard) was de boerderij verlaten, dus zetten we maar door naar de volgende, een eindje verderop. Op weg daarheen echter, hoorden we plots het geluid veranderen, en meteen daarop was het helemaal weg. We dachten even dat we het niet meer konden horen, maar het was echt weg! Waarschijnlijk een steentje dat ergens tussengekropen was en er vanzelf terug vantussenuit gevallen was. Wat het ook geweest waren, onze hartslag kon eindelijk weer uit de hoogste regionen terugvallen naar een normaler en gezonder tempo, en we konden weer voluit naar onze vogelrots gaan doorrijden.

Een tijdje later kwamen we dan aan bij Latrabjarg. Aan Latrabjarg is eigenlijk niets. Er staat een vuurtoren en dat is het zo wat. Maar de vuurtoren staat wel op een heel hoge klip, die pal loodrecht de zee induikt. Dat op zich is al heel spektaculair, maar de klip is bovendien heel poreus en dus bijzonder geliefd als nestplaats voor duizenden zeevogels. Van alle kanten zagen we ze vliegen. Meeuwen vanzelfsprekend, maar ook vele andere soorten, waar we de naam totaal niet van konden raden. En dan ook uiteraard, de typische vogel van Ijsland, waar we - zo moeten we toch stilletjes toegeven - in de eerste plaats voor gekomen waren, de papegaaiduikers. Niet met honderden tegelijk, maar toch genoeg en dichtbij genoeg om de vreemde vogels eens goed te bestuderen.

We begonnen onze wandeling langsheen de vogelrotsen en keken goed onze ogen uit. Om puffins te kunnen zien, maar ook om te zorgen dat we geen 200 meter naar beneden zouden donderen, want het pad was heel oneffen en de rand van de afgrond was brokkelig op sommige plekken. We zagen al gauw de eerste puffins van heel dichtbij, en zij bleken wel geïnteresseerd te zijn, want de beestjes namen ons nieuwsgierig op en vlogen meestal niet meteen weg. Zo kwamen we - toen we al een hele tijd gewandeld hadden - plots twee fotografen tegen die wel heel stil naar iets lagen te turen. Toen we heel voorzichtig dichterbij kwamen, zagen we vlak op de rand, twee papegaaiduikers zitten. Ze waren volledig op hun gemak, hielden ons wel in het oog, maar wisten duidelijk niet zo goed wat ze nu moesten gaan doen. Ze leken er wel goed te zitten, en leken niet gestoord door onze aanwezigheid. We legden onszelf ook naast de fotografen, en genoten van het zicht op deze vrolijk gekleurde vogels. Na een tijdje trokken we een kort eindje verder langsheen de klippen, maar dan keerden we op onze stappen terug, en keerden langsheen hetzelfde pad terug. We zagen nog een heleboel papegaaiduikers en ook talloze andere vogels, waarvan we de naam niet kenden. We kwamen dan uiteindelijk aan bij de auto en zetten koers naar het volgende stuk.

Daarvoor moesten we weer over die hobbelige baan, maar gelukkig geraakte deze keer geen stukken tussen de wielen, waardoor we gespaard bleven van angstaanvallen of andere traumatische gebeurtenissen. Onze volgende stop was Brjaenslaekur, een onooglijk dorp, of meer boerderij met kerk, waar de ferry naar het schiereiland Snaefellsness aanmeert. Als je het dorp moet voorstelling grootte, dan kon je zeggen dat het dorp ongeveer honderd keer in de ferry paste. We hadden een beetje vrees voor de weg erheen en waren dus goed op tijd vertrokken, maar waren nu ongeveer een tweetal uurtjes te vroeg. Het weer was alweer wat overtrokken, maar we gingen toch nog even een uurtje wandelen in de omgeving. Onze wandelgids gaf een ruwe wandelroute aan naar oude lavabrokken met oeroude fossielen. Jammer genoeg vonden de reguliere koeien in de wei het leuk om dwaalsporen te leggen naar de versteende lava, want geregeld moesten we eens recht in de richting van de vallei wandelen, om daar toe te komen en de fossielen te proberen ontdekken in de lavabrokken. Het was in de kleine vallei heel rustig en stil. Korte tijd later keerden we dan langs wat wij dachten dezelfde weg terug, maar ineens moesten we opnieuw dwars door de lage struikjes om bij de auto te geraken. Niet zo heel lang later zagen we de ferry dan over de zee aankomen en konden we eindelijk onze tickets ophalen in het cafe annex postkantoor annex ticketoffice annex sociale ruimte annex winkel van het dorp.

Mooi geparkeerd op de boot en dan begon het wachten tot we de overkant bereikten. We vertrokken mooi op tijd en genoten van het uitzicht en de dalende zon. Ondergaan zou ze niet gaan doen, maar ergens in de lagere regionen boven de horizon begonnen we tegen dan al een zonsondergang te noemen. We vaarden tussen een heleboel kleine platte eilandjes die vol vogels zaten. Even later legden we aan bij Flatey, een van de enige eilandjes die bewoond zijn en zelfs een waar historisch patrimonium bevat. Helaas hadden we te weinig tijd dit te bezoeken, want de boot legde maar een goeie tien minuten aan. Daarna vaarden we door naar de andere kant. We hadden op de ferry ook eindelijk besloten pluchen papegaaiduikers te kopen. De eerste dag hadden we deze al gezien ergens in een tankstation, maar vonden het toen was vroeg om al te kopen. Maar daarna hadden we deze mooie knuffels niet meer gevonden, dus nu, ergens naar het einde van onze reis, besloten we ze maar meteen in te kopen.
We kwamen aan op het schiereiland en hadden dus officieel de westelijke fjorden verlaten. Vanuit Stykkisholmur moesten we nog een klein uurtje rijden naar onze camping in Grundarfjördur. Daar aangekomen, bleken we weer een betonnen camping gekozen te hebben. De ondergrond had een dun laagje gras en daaronder een laag keihard materiaal waar het bijna onmogelijk door te raken was. Op pure adrenaline en frustratie geraakten de haringen toch in de grond en konden we in onze tent kruipen. Het was dan al ver middernacht. Nog geen half uur later werden we dan nog gestoord door de uitbaatster die ons kwam aanrekenen. We zaten dan al op de snelbus naar dromenland, dus beseften we eerst niet eens wat er gebeurde. Versuft toonden we de kaart en konden dan gelukkig onze ogen sluiten. Nog later begon het weer te regenen...

Rit: Talknafjördur naar Grundarfjördur

Geen opmerkingen:

Een reactie posten