Volgepropt en volgeladen gingen we na het ontbijt weer op weg, meteen 300 meter omhoog naar de voet van de Lasörling, een zeer hoge berg, vlakbij de hut (de aandachtige lezer had al begrepen dat de hut vandaar de naam haalde) Daar waren we al flink aan het zweten, maar toch besloten we de flank van de berg te beklimmen.
Het uitzicht zou onze blik tot in Italië kunnen voeren!
Een uur later stonden we dan op de top, helaas tegen dan omsingeld door wolken die het machtige zicht versluierden. Dan maar terug naar beneden. Op de terugweg zagen we op de bergkam steenbokken. Deze hadden we toevallig gezien omdat die beesten spelenderwijs enkele stenen naar beneden hadden gegooid, die met veel lawaai en gedaver andere rotsen hadden meegesleurd. Niet dat zij er zich iets van aantrokken.
We hadden voor de klim onze rugzakken aan de voet van de berg achtergelaten. Deze pikten we terug op, ondanks protest van onze schouders. Daarna begon de waanzinnige klim naar de Prägrator Torl, de doorgang naar het volgende dal. Een Törl is de laagste plek op een bergkam en meestal de enige die zonder klim-gerief te bestijgen valt. Daarboven hadden we hier zelfs kabels nodig om boven te raken. Om maar te zeggen dat laagste punt wel heel relatief is.
De afdaling was niet veel gemakkelijker; gelukkig hadden we boven nog een stuk van onze mondvoorraad soldaat gemaakt. Eens beneden gekomen gingen we dan opnieuw omhoog naar de volgende doorsteek. In een bergriviertje vulden we de drinkbus met helder, fris bergwater. We gingen zoals gezegd dan weer naar boven naar wat we dachten dat de Michltalscharte was, maar na enkele meters omhoog klimmen, stonden we plots op de top en zagen we in de verte de echte scharte. Een domper, maar we gingen gewoon op weg. Wat anders kan je doen. Daarvoor moesten we eerst nog door de sneeuw. Sneeuw zelfs in augustus kan best nog koud, nat en bijzonder glibberig zijn. Wat resulteerde in een ijskoud straaltjes dat onze stapschoenen binnenliep.
We vonden onze weg naar boven, maar voelden daar de eerste druppels al neerpletsen. Over de scharte terug naar beneden, telkens niet veel gemakkelijker dan de helling bestijgen. Daar namen we een korte pauze en hebben we de regenjassen. Waarna het natuurlijk stopte met regenen.
We zagen voor ons de hut eindelijk liggen, maar werden wel zo'n beetje terug het dal ingeblazen door enorme windstoten. Het voordeel van die wind was dat we meteen weer droog waren. Het nadeel dat we ertegen moesten opboksen om vooruit te raken.
Een goed half uur later stonden we dan toch aan de Neue Reichenberger Hütte. We fristen ons een beetje op, deden droge kleren aan en gingen eten. Vanuit de eetzaal zagen we het dal waar de hut in stond en zagen we het spektaculaire wolkenspel om ons heen. Er zaten ook een zestal oude bergwandelaars die het heel vrolijk maakten, of zo leek het toch, want van het taaltje konden we absoluut niets maken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten