De eenzame reiziger haastte zich door het woud. Het werd donker, en s'nachts was het woud een gevaarlijke plek. Geruime tijd reeds hielden schimmige figuren zich op tussen de bomen, en als ze zich vertoonden, stond het slachtoffer groot onheil te wachten.
Een bliksemflits verlichtte kort even het pad, maar door de striemende regen zag de man niet veel. De winter was snel ingetreden dit jaar. Een slecht voorteken, want de oogsten waren ook dit jaar weer verkleind. De wind joeg modderspatten op, en de laarzen van de reiziger waren vuil een aangekoekt met modder en rottende bladeren. Wie vanop afstand de man zag stappen, kon merken dat een oude kwetsuur zijn pas vertraagde. Het linkerbeen werd ontzien. Toch was de man sterk, want hij had een stevige pas en straalde kracht uit. Hij was als een soldaat, iemand die strijd had gezien en meegemaakt, maar nu niet meer in oorlogen diende.
De donder ratelde doorheen het geloei van de wind, terwijl hij de rand van het bos naderde, en uitkwam op de hoge weiden boven het dorp. Het gras was hier al weggevreten door het vee, dat nu in de lagere weiden stond, of, nog waarschijnlijker, in de stallen ondergebracht was. Van hier af kon je het dorp zien liggen, net naast het smalle riviertje dat tussen de weiden en de akkers kronkelde. Het dorpje was niet groot. Slechts enkele boeren die samen leefden, en waar iedereen iedereen kende. Het zou hem bescherming bieden voor de nacht en de taak die hij hier moest verrichten.
Het was al moeilijk genoeg om vooruit te geraken in deze storm, en nog moeilijker om het dorp te vinden, en dat kwam hem ideaal uit. De hele dag had hij proberen ontkomen aan zijn achtervolgers, en het was pas gelukt in het immens uitgestrekte woud, waar de paarden van de meedogenloze achtervolgers niet snel vooruit geraakten, en bovendien kenden ze het woud en de gevaren ervan niet. Dat ze het woud met het grootste respect en zelfs ontzag moesten behandelen, wisten ze niet, en door hun houding en gewelddadig doorbreken door de groene muren, wekten ze de woede op van de geesten van het woud. Hij kon ze best op zijn eentje aan, maar de opdracht was te belangrijk op de aandacht op zichzelf te vestigen. Hij liet het over aan het woud. Hun geschreeuw joeg nog een rilling langs zijn rug, en hij trok zijn mantel wat dichter rond zich heen, tegen de gure wind en de nog steeds onverminderd vallende regen. De lichte bescherming die de bomen en struiken tegen het onweer boden, viel weg nu hij in de weiden terechtkwam, en hij er stevig de pas is, recht door het grasveld naar de kleine lichtjes van het dorp. Het was slechts toen hij aan het eerste huis kwam, dat die ene aandachtige hond aansloeg. Het huis was donker, alle luiken dicht, geen rook uit de schouw. Leegstaand of diep in slaap. Het deed er niet toe, zijn doel lag bij het derde huis, het huis waar de luiken dicht waren, maar door de kieren toch enkele straaltjes licht tevergeefs het donker probeerden terug te duwen. Zijn wandelstaf tikte nu hij op de kasseien liep die de laan van het dorp vormden. De eerste hond was stilgevallen, maar nu hij het huis van zijn doel naderde, begroetten twee honden zijn komst met vrolijk geblaf. Het volk binnen wist nu dat er goed volk langskwam, en toen hij aan de deur kwam, zwaaide deze snel open, zelfs voor zijn vuist kon neerkomen op het hout. Licht straalde naar buiten en warmte omhelsde hem. Vlug stapte hij over de drempel, in de gezellige warmte en tevreden eindelijk in het droog te kunnen schuilen. De vrouw die achter de deur stond en deze snel sloot tegen het gure weer. Het was een jonge vrouw, met goudgele lokken die tot op de schouders en blauwe ogen. Aan haar voeten zat een bruine cockerspaniël met een heel guitige blik, en die duidelijk heel blij was de nieuwe gast te zien. De ogen van de man blonken, en met een snelle beweging haalde hij een koekje uit één van de vele zakken van zijn reismantel. Het hondje gaf een opgewonden blafje en het koekje verdween in één hap naar binnen.
Het meisje glimlachte en voerde de man aan zijn arm naar de leefruimte. Daar zat het volledige gezin met bedrukte gezichten te kijken. Toen hij echter binnenstapte, werd de gloed van het vuur groter en warmer. De hoop die de kamer al een tijdje verlaten had, kwam als een snelle wind terug en lichtte de gezichten van de mensen op. Op sommige gezichten brak zelfs een stralende glimlach door. De man glimlachte geamuseerd in zichzelf, terwijl hij zich ontdeed van zijn reismantel. De mantel stoomde ondertussen van de warmte in de ruimte, en het geheel straalde magie uit. Hij voelde dat de verwachting bezit nam van de kamer en besloot niet langer stil te blijven. Het was immers hoog tijd.
"De voorspelling komt vanavond uit" begon hij tegen de aanwezigen in zijn rustige, lage stem. "Weinigen kennen de ware spreuk van de voorspelling, en weinigen kennen de juiste toedracht. Slechts weinigen kennen mij, maar ik zie aan jullie gezichten dat de verhalen de ronde doen. Jullie kennen mij als de Reiziger, of de Magiër, hoeveel die naam teveel eer is voor mij." Opluchting golfde door de kamer, want hoewel de verhalen over de Reiziger steeds over geluk en voorspoed gingen, boezemden de ongekende en bijzondere krachten van de man de aanwezigen ook wel angst in. "Mijn reizen brachten mij overal op deze wereld, en veel kennis heb ik vergaard, en deze kennis heb ik dikwijls kunnen aanwenden om jullie volk te helpen en bij te staan. En vannacht zal ik al mijn kennis nodig hebben. Vannacht zal beslissend zijn, en..." De man werd onderbroken door een kermende schreeuw uit de aanpalende kamer. De betovering van zijn woorden was op brute wijze verstoord, en de luisteraars ontwaakten uit de droom, en keken ontsteld om zich heen, maar de man was met enkele grote stappen al aan de deur. Zacht opende hij deze en keek binnen. Nog een schreeuw volgde en de man glipte snel binnen, de deur zorgvuldig achter zich sluitend.
In de tweede kamer lag een vrouw zwetend te bed. Een tweede meisje met gouden haren was druk in de weer met lappen en water. De vrouwen merkten hem pas op toen hij zijn hand op de schouder van de vrouw in het bed legde. Een zwakke glimlach ging van de vrouw uit, maar ze sloot al snel de ogen voor de opkomende pijn van de nieuwe weeën. De bevalling was reeds lang aan de gang, te zien aan de stapel lappen in de hoek van de kamer, en de hoeveelheid as in het vuur. Het tweede meisje stond enigszins te wankelen, eindelijk een beetje rust gegund nu de Reiziger binnen gekomen was en de vrouw kon bijstaan. De Reiziger mompelde ondertussen zachtjes tegen de vrouw en zuchtend ontspande deze zich. De Reiziger keerde zich naar het meisje en sprak enkele zachte woorden tegen haar. Ze knikte, pakte enkele propere lappen en ging aan de kant van het bed staan, de Reiziger afwachtend bekijkend, maar klaar om te handelen op zijn teken. De Reiziger nam positie aan de andere kant van het bed, en bewoog zijn handen volgens het oeroude ritueel, dat hij zovele malen had uitgevoerd, en nooit meer zou vergeten. De magie die hij opriep was onmiddellijk voelbaar, en de vrouwen keken met ontzag naar de handen van de man, waartussen de vage vormen van een glanzende grijze bol begonnen te verschijnen. De handen van de man gingen steeds sneller, terwijl de ogen van de zwangere vrouw zwaar werden en de oogleden zachtjes dichtvielen. De beweging vertraagde en werd breder, over het hele lichaam van de vrouw. De bol zweefde nu recht boven de bolle buik. De Reiziger begon een oud lied, in een taal die niemand meer kende, maar zeer geruststellend klonk. Een onaards groen licht begon op te lichten in de bol, werd sterker en kleurde tenslotte naar paars. De man boog zich voorover over de vrouw en de bol flitste enkele keren en spatte toen in een explosie van kleur uit elkaar tot een waaier die neerdwarrelde over de vrouw. De Reiziger gaf het teken aan het meisje. Het meisje stond met de mond open te kijken naar het schouwspel en zag met stomme verbazing dat het kind ter wereld gekomen was. Snel pakte ze het in de doeken en bracht het naar de kom warm water bij het vuur om het kindje te wassen en te onderzoeken. Ondertussen depte de man het voorhoofd van de vrouw, terwijl zachtjes tegen haar aan het praten. Het meisje keek vol bewondering naar het prachtige kindje, maar hield geschrokken de adem in toen het kind de ogen opendeed. Het helderblauwe licht uit de grote ogen bliksemde de kamer in. De ogen waren hypnotiserend, maar straalden vrede en bescherming uit. De Reiziger nam het kind in zijn armen en bekeek het aandachtig. Tevreden knikte hij. "De voorspelling zal uitkomen. Zorg nu voor de vrouw." sprak hij tegen het meisje. Daarop stapte hij de deur af met het kind, en verdween uit de kamer.
In de eerste kamer toonde hij het kind aan de aanwezigen en sprak. "Dit kind zal onze redding worden, maar op dit moment zijn de gevaren die ons omringen dichtbij. Ik zal het kind in veiligheid brengen. Bescherming is onderweg hierheen die jullie zal beschermen en mijn aftocht zal dekken. Houd stand, want dit geheim mag het dorp niet verlaten." Achter hem was het meisje zachtjes binnengekomen, een zak met spullen in de hand. "Ik ga mee", sprak ze zacht maar zelfverzekerd. De Reiziger keek verrast om, en vervolgens met een onderzoekende blik. Het meisje keek dapper terug, maar de spiedende blik was te sterk om te weerstaan. Ze sloeg de ogen neer, maar beheerst sprak ze opnieuw: "Ik ga mee". De Reiziger leek te twijfelen, maar een korte glimlach en de twinkeling in zijn ogen verraden dat hij heimelijk blij was met hetgeen hij zag of hoorde. Hij knikte en zei dat ze niet veel tijd hadden en ze zich moest voorbereiden op een lange, zware en moeilijke reis. Snel verdween ze terug naar de andere kamer. Het eerste meisje, dat voor hem de deur opende, liep vlug achter haar aan. De Reiziger hield haar even tegen en zei haar goed te zorgen voor de pas bevallen vrouw, die haar kind maar even had gezien.
Even later stonden de Reiziger en het meisje klaar voor de deur. Het regende nog steeds hevig, maar met een zachte duw in de rug duwde de Reiziger het meisje voor zich uit, de donkere nacht in. Het meisje droeg het kind, de man de rugzak en zijn staf. Voorover gebogen tegen het gure weer haastten ze zich de straat uit, in de andere richting als de man toegekomen was, in de richting van de rivier.
De man keek soms ongerust over zijn schouder, bezorgd om het meisje dat achter hem liep met het kind, maar nog meer bezorgd om wat zich achter hen bevond. Hij kon voelen dat zijn achtervolgers de geboorte hadden gevoeld en hun woede was zo groot dat ontsnappen al zijn kennis zou vergen. Toch grijnsde hij toen hij de vlam in de ogen van het meisje zag. Het levenslicht was ook op haar overgeslagen. De legende was begonnen, als ze samen konden blijven zouden ze sterk worden. Zo sterk als in de voorspelling was gezegd. Zo sterk dat het levenslicht de wereld zou omvatten. De tocht was lang, en ze zouden veel lijden, het kind waarschijnlijk nog het meest, maar ze zouden er allen sterker uit komen.
Het levenslicht was in de wereld gebracht, de legende was begonnen.
zaterdag 17 oktober 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten